Celkern

| Celbiologie |
|---|
| De dierlijke cel |
| Componenten van een dierlijke cel: |
| Portaal |
De celkern of nucleus is het door een membraan omsloten deel van een cel waarin het genetisch materiaal (DNA) is opgeslagen. Alle levende wezens waarvan de cellen een kern bevatten, behoren tot de eukaryoten: dit zijn de planten, dieren, schimmels en de eencellige protisten.[a]
In de celkern is bijna al het DNA van de cel opgeslagen.[b] Het DNA regelt de productie van eiwitten, die maken dat het hele organisme kan functioneren: alle erfelijke eigenschappen worden aangestuurd door informatie uit de celkern. Hierdoor wordt de celkern ook wel gezien als het 'controlecentrum' van de cel. Stoornissen in de organisatie van de celkern liggen ten grondslag aan diverse aandoeningen zodat de celkern ook vanuit medisch oogpunt veel is onderzocht.[1]
De inhoud van de celkern, het kernplasma, wordt omsloten door een dubbel kernmembraan. Om transport van kleine moleculen mogelijk te maken bevat het ondoordringbare kernmembraan vele kernporiën. Grotere moleculen, zoals eiwitten en RNA-transcripten, worden actief met behulp van dragereiwitten door de poriën getransporteerd. Bij dierlijke cellen wordt de celkern verstevigd door een netwerk van filamenten, de kernlamina.
Hoewel de celkern in het verleden gezien werd als een eenvoudig lichaampje, heeft de inhoud van de celkern een georganiseerde architectuur. Onder een elektronenmicroscoop zijn afzonderlijke gebieden van eiwitten, RNA-moleculen en delen van de chromosomen te onderscheiden in een welbepaalde samenhang.[2]
Structuur
[bewerken | brontekst bewerken]Eukaryoten zijn organismen die hun genetisch materiaal (DNA) opslaan in een afzonderlijk cellulair compartiment (organel), de celkern of nucleus. Tot de eukaryoten behoren complexe levensvormen: de protisten, schimmels, wieren, planten en dieren, inclusief de mens. In dierlijke cellen is de celkern het grootste organel, dat met behulp van een lichtmicroscoop over het algemeen duidelijk zichtbaar is. Bij zoogdieren bereikt de celkern meestal een grootte van ongeveer 6 micrometer (μm), wat overeenkomt met ongeveer 10% van het totale celvolume.[3] De inhoud van de celkern wordt het kernplasma genoemd. Het kernplasma bevat de eiwitten en moleculen die nodig zijn voor het in stand houden en tot expressie brengen van het genetisch materiaal.[4]
Kernmembraan en poriën
[bewerken | brontekst bewerken](1) kernmembraan, (2) ringstructuur die de basis vormt van de porie, (3) tussenspaken, (4) korf en
(5) de cytoplasmafilamenten.
Het kernmembraan vormt een flexibele barrière rond de celkern en scheidt het genetisch materiaal van het omringende cytoplasma. Het voorkomt dat macromoleculen vrijelijk kunnen diffunderen tussen het kernplasma en het cytoplasma.[5] Het kernmembraan bestaat uit twee parallel aan elkaar afgezette membranen die gescheiden zijn door een tussenruimte van 10 tot 50 nanometer (nm). De ruimte tussen de membranen wordt perinucleaire ruimte genoemd.[6] Het buitenste kernmembraan loopt door in het endoplasmatisch reticulum.
Kernporiën, de holle eiwitcomplexen die het moleculair verkeer in en uit de celkern verzorgen, zijn gelijkmatig over het kernmembraan verspreid. Ze zijn samengesteld uit zogeheten nucleoporines. De poriecomplexen zijn zeer groot: ze hebben een molecuulgewicht van ongeveer 120 miljoen dalton.[7] Het kanaal waardoorheen moleculen getransporteerd worden heeft een diameter van 40–60 nm.[8] Dit is groot genoeg om macromoleculen, zoals eiwitten, RNA-moleculen en ribosoomdelen te laten passeren. Deze moleculen worden selectief – dat wil zeggen via speciale transportmechanismen – in en uit de celkern vervoerd.
In zoogdieren bevat de celkern ongeveer 3000 tot 4000 kernporiën.[c] Visualisatie van het kernporiecomplex met de elektronenmicroscoop heeft duidelijk gemaakt dat het een ringstructuur betreft met achtvoudige rotatiesymmetrie.[10] Deze ring ligt op de plek waar de binnenste en buitenste membranen fuseren (in elkaar omklappen) en zo een opening vormen. Aan de ring is een korfvormige structuur gehecht die zich uitstrekt naar het kernplasma, en acht dradige filamenten die in het cytoplasma reiken. Beide structuren dienen om passage van transporteiwitten te reguleren.[11]
Nucleaire lamina
[bewerken | brontekst bewerken]In dierlijke cellen is de celkern verstevigd door de zogenaamde nucleaire lamina, ook wel kernlamina genoemd. Dit is een vezelig netwerk van intermediaire filamenten aan de binnenzijde van het kernmembraan dat nodig is voor het handhaven van structuur, vorm en beweeglijkheid. De kernlamina is een verankeringspunt voor de kernporiën en chromosomen. Tevens speelt het een rol bij de gereguleerde expressie van het genetisch materiaal.[1]
De kernlamina is voornamelijk opgebouwd uit het eiwit lamine.[12] De laminen worden als monomeren gesynthetiseerd in het cytoplasma. Via poriën gaan de eiwitten de celkern in, waar ze na samenvoeging met andere eiwitten worden opgenomen in het netwerk. Aan de buitenzijde van het kernmembraan binden speciale lamine-eiwitten (emerinen en nesprinen). Zij gaan interacties aan met het cytoskelet en zorgen daarmee dat de celkern zich op een vaste plek binnen het cytoplasma positioneert.
Defecten in lamina-eiwitten kunnen ernstige gevolgen hebben voor de cel en het organisme. Mutaties in genen die coderen voor laminen of geassocieerde eiwitten veroorzaken een groep erfelijke aandoeningen die bekendstaan als laminopathieën, waaronder spierdystrofieën, cardiomyopathieën en het vroegtijdige verouderingssyndroom progeria.[13]

Chromosomen
[bewerken | brontekst bewerken]De celkern bevat het grootste deel van het genetisch materiaal van de cel.[b] Bij veel eukaryoten is het DNA in de kern rond eiwitten gewonden die histonen worden genoemd. Gedurende het grootste deel van de celcyclus – met name de periode waarin de cel niet deelt – zijn de histonen in elkaar vastgedraaid tot compacte draden (chromatine). Wanneer de cel zich gereedmaakt voor de mitose, wordt het chromatine gedeeltelijk ontrold om het DNA te kopiëren. Wanneer al het DNA gekopieerd is, trekt het zich samen tot staafvormige structuren, de chromosomen. Dit proces is doorgaans goed zichtbaar onder de lichtmicroscoop. Tijdens de celdeling splitsen de chromosomen uiteen in gelijke kopieën, zodat twee dochtercellen kunnen ontstaan die allebei beschikken over een identiek genoom.
De verdeling van het chromatine over de celkern is niet uniform door verschillende mate van ontvouwing ten behoeve van DNA-transcriptie. Het chromatine dat minder compact en vrijer in de celkern ligt wordt euchromatine genoemd. Het bevat de genen die veelvuldig door de cel tot expressie worden gebracht en dus voortdurend toegankelijk moeten zijn voor enzymen. Het chromatine dat daarentegen dichter is opgevouwen wordt heterochromatine genoemd. Het bevindt zich meer aan de randen van de celkern en bevat het DNA dat weinig of niet door enzymen afgelezen wordt, zoals de sequenties van telomeren of centromeren.[16]
Doorsnede van twee dierlijke celkernen. De chromosomen zijn rood, het kernmembraan is blauw en de microtubuli zijn groen gekleurd. Schaal: 5 μm. | Ruimtelijke opname van twee dochterkernen. Deze dierlijke dochtercellen zijn in het laatste stadium van de deling: telofase. Het spoelfiguur is bruin, het cytoskelet groen en de nog gecondenseerde chromosomen blauw. |
Bij verschillende auto-immuunziekten, waaronder systemische lupus erythematodes (SLE), richt het immuunsysteem zich tegen bepaalde onderdelen van het chromatine, zoals de nucleosomen of andere chromosomale bestanddelen.[17] Dergelijke antilichamen staan bekend als antinucleaire antistoffen (ANA's) en vormen een primair kenmerk van diverse systemische auto-immuunziekten. ANA's spelen een belangrijke rol bij de ziektediagnostiek.[17]
Nucleolus
[bewerken | brontekst bewerken]
De nucleolus is de meest opvallende structuur in de celkern, en kan al zichtbaar zijn met de lichtmicroscoop. Het bestaan ervan werd reeds in de negentiende eeuw beschreven.[18] De belangrijkste functie van de nucleolus is de productie van ribosomen, de celstructuren die verantwoordelijk zijn voor eiwitsynthese. In tegenstelling tot veel andere structuren in de cel wordt de nucleolus niet omgeven door een membraan. De nucleolus is een aggregaat van macromoleculen, waaronder ribosomaal RNA (rRNA), chromatine, ribosomale eiwitten en verschillende enzymen die betrokken zijn bij ribosoomvorming.
De grootte van de nucleolus hangt logischerwijze nauw samen met de hoeveelheid ribosomen die een cel produceert. In cellen met een hoge eiwitsynthese, zoals actief delende cellen, is de nucleolus sterk vergroot en kan een aanzienlijk deel (tot wel 25%) van het kernvolume innemen.[19] De nucleolus is meerfasig en vertoont vloeistofachtige dynamiek.[20]
In de nucleolus wordt rDNA door RNA-polymerase I overgeschreven naar een lang pre-rRNA-molecuul. Dit pre-rRNA wordt vervolgens verwerkt en samengevoegd met ribosomale eiwitten tot kleine en grote ribosomale subeenheden. Deze processen worden ondersteund door small nucleolar RNA's (snoRNA), die betrokken zijn bij de modificatie en vouwing van rRNA. Daarnaast is de nucleolus ook betrokken bij de productie, verwerking en assemblage van andere niet-coderende RNA-moleculen, zoals transfer-RNA en telomerase.[21][22]
Overige kernlichamen
[bewerken | brontekst bewerken]
Hoewel de term kernlichaam in informele zin vaak gebruikt wordt om de nucleolus aan te duiden, zijn er verschillende andere membraanloze structuren binnen de celkern ontdekt met gespecialiseerde functies. De belangrijkste hiervan zijn de cajallichamen, speckles en PML-lichamen.[23]
Celbiologen vermoeden dat deze kernlichaampjes ontstaan om processen zoals RNA-processing efficiënt gelokaliseerd te laten verlopen. Het is lastig om de precieze functie van deze kleine compartimenten te achterhalen, mede omdat hun vorm, aantal en samenstelling sterk verandert naarmate cellen de celcyclus doorlopen.[19] Sommige kernlichaampjes verschijnen alleen onder omstandigheden van celstress of bepaalde ziektemechanismen.
Onderzoek naar deze structuren heeft duidelijk gemaakt dat de celkern geen homogeen compartiment is, maar een ruimtelijk sterk georganiseerde omgeving waarin verschillende moleculaire processen lokaal worden geconcentreerd.[23][24]
Cajallichamen
[bewerken | brontekst bewerken]In de meeste eukaryoten bevat de celkern één of meerdere cajallichamen. Het zijn bolvormige structuren, met een diameter van 200–2000 nm, afhankelijk van het celtype. Ze bestaan onder meer uit het zelf-oligomeriserende eiwit coiline. De voornaamste functie van cajallichamen is de maturatie (rijping) van snRNP's (small nuclear ribonucleoproteins).[25] Deze snRNP's zijn onderdeel van het spliceosoom, het complex dat betrokken is bij het verwijderen van introns uit pre-mRNA.
Naast de cajallichamen komen de vergelijkbare gemini-lichamen of gems in de celkern voor. Gems lijken qua structuur sterk op cajallichamen: de twee zijn onder de elektronenmicroscoop praktisch niet te onderscheiden.[d] Ze zijn echter elk opgebouwd uit verschillende eiwitcomponenten. Gems en cajallichamen co-lokaliseren meestal en het exacte verschil in functie tussen de twee lichaampjes is nog niet opgehelderd.[27]

Speckles
[bewerken | brontekst bewerken]Speckles, ook wel interchromatin granule clusters genoemd, zijn structuren die verrijkt zijn in splicingfactoren (eiwitten die de splicing verzorgen), en andere eiwitten die een rol hebben in RNA-processing. Speckles worden beschouwd als lokale gebieden in het kernplasma waar splicing, opslag en sortering van mRNA plaatsvindt.[23] Transcriptioneel actieve delen van het chromatine bevinden zich vaak dicht bij speckles.
Speckles kunnen zichtbaar gemaakt worden met fluorescentiemicroscopie, waarbij een typerend gespikkeld (speckled) kleuringspatroon te zien is.[28] In tegenstelling tot de nucleolus zijn speckles losser en moeilijker uit zoogdiercellen te isoleren.[23] Daardoor is de samenstelling van deze kernlichaampjes nog niet volledig opgehelderd.
PML-lichamen
[bewerken | brontekst bewerken]PML-lichamen zijn eveneens bolvormige structuren (0,1 tot 1,0 μm) die verspreid over het kernplasma kunnen voorkomen.[29] Ze zijn vernoemd naar hun belangrijkste bestanddeel, het PML-eiwit (TRIM19), en werden in eerste instantie geïdentificeerd via onderzoek naar promyelocytenleukemie (PML). De lichaampjes verschijnen onder invloed van cellulaire stress zoals virale infectie, DNA-schade, en oxidatieve stress.[29] Er zijn aanwijzingen dat PML-lichamen tijdens deze condities van celstress telomeren – de beschermende uiteinden van chromosomen – stabiliseren door reorganisatie van het chromatine.[23]
Functies
[bewerken | brontekst bewerken]Compartimentalisatie
[bewerken | brontekst bewerken]
De celkern is in de eerste plaats een afscheidend compartiment: het genetisch materiaal wordt op een gerichte manier van de rest van cel gescheiden, zodat de gevoelige DNA-moleculen afgeschermd worden van de buitenwereld en de processen van transcriptie en DNA-replicatie in een gecontroleerde omgeving kunnen verlopen.[30]
Door de scheiding is er continu communicatieverkeer nodig tussen het cytoplasma en kernplasma. In de kern wordt het genetisch materiaal afgelezen en omgezet in RNA. Dat RNA moet vervolgens naar het cytoplasma worden getransporteerd, waar ribosomen de informatie gebruiken om eiwitten te maken. Tegelijkertijd gaan continu signaaleiwitten de kern in om bepaalde genen die op dat moment nodig zijn aan te zetten (genregulatie). Zo kan de cel haar gedrag aanpassen aan nieuwe omstandigheden.
De verschillende RNA-moleculen die in de celkern worden gevormd, ondergaan vaak specifieke modificaties voordat ze naar het cytoplasma worden getransporteerd. Messenger-RNA (mRNA) moet bijvoorbeeld splicing ondergaan, transfer-RNA (tRNA) moet zichzelf lokaal opvouwen tot een klaverbladstructuur en ribosomaal RNA (rRNA) moet zich met eiwitten tot een ribosoom organiseren.[9] Zonder deze modificaties kan het RNA-molecuul de kern in principe niet verlaten.
Instandhouding van DNA
[bewerken | brontekst bewerken]In de celkern vindt replicatie van DNA plaats. Tijdens de replicatie worden de DNA-moleculen die zich in de celkern bevinden volledig gekopieerd, zodat bij de celdeling twee dochtercellen ontstaan die over dezelfde genetische informatie beschikken. Replicatie is een complex proces waarbij veel verschillende eiwitten zijn betrokken. De twee nucleotidestrengen van het DNA worden door het enzym helicase uit elkaar gehaald, waarna in beide richtingen nieuwe complementaire strengen worden gesynthetiseerd door DNA-polymerase. Nadat de replicatie is voltooid kunnen de DNA-moleculen condenseren tot chromosomen en uiteensplitsen voor de celdeling.
In het kernplasma zijn veel enzymen aanwezig die het DNA voortdurend controleren op beschadigingen. Zulke beschadigingen veranderen de ruimtelijke configuratie van de DNA-helixstructuur en kunnen door DNA-reparatiemoleculen worden opgespoord. De reparatiemoleculen werken vaak zeer efficiënt, waardoor schade aan DNA sterk wordt beperkt. DNA-reparatie is van essentieel belang voor de integriteit van het genoom. Veel genen die betrokken zijn bij reparatie en bescherming van DNA zijn een bepalende factor voor de levensduur van een individu.[31]
Genexpressie
[bewerken | brontekst bewerken]In eukaryoten vinden transcriptie en translatie plaats in afzonderlijke cellulaire compartimenten: transcriptie verloopt binnen de celkern, translatie verloopt in het cytoplasma. Er is sprake van een scheiding in ruimte en in tijd.[9] Bij prokaryoten zijn de twee processen nauw aaneengeschakeld: de translatie van bacterieel mRNA kan al beginnen terwijl de transcriptie nog gaande is. Door de ruimtelijke scheiding van transcriptie en translatie zijn eukaryoten in staat genexpressie op ingewikkelde manieren te reguleren, waardoor er veel meer structuren en functies ontwikkeld kunnen worden dan bij prokaryoten.[32][33]
Verwerking van mRNA
[bewerken | brontekst bewerken]Een andere belangrijke functie van de celkern is het reguleren van posttranscriptionele modificaties: wijzigingen aan het nieuw gevormde messenger-RNA. Het is essentieel dat nieuw gesynthetiseerde mRNA-moleculen (pre-mRNA) in de celkern gemodificeerd worden voordat ze naar het cytoplasma worden vervoerd; mRNA dat zonder modificaties in het cytoplasma terechtkomt, wordt snel afgebroken.[34] De drie voornaamste modificaties van pre-mRNA zijn het aanbrengen van een 5'-cap, het toevoegen van een poly(A)-staart en bovenal splicing.
Splicing van mRNA wordt uitgevoerd door een eiwitcomplex dat het spliceosoom wordt genoemd. Tijdens de splicing worden introns – korte regio's die niet coderen voor eiwitten – uit het pre-mRNA verwijderd. De resterende exons worden aan elkaar gekoppeld tot een compleet, transleerbaar molecuul (het mature mRNA). Doordat exons op verschillende manieren kunnen worden samengevoegd, kunnen verschillende mRNA-moleculen worden gevormd uit een enkel pre-mRNA. Dit proces van alternatieve splicing maakt het mogelijk uit een beperkte hoeveelheid DNA veel verschillende eiwitten te vormen.
Onderzoek
[bewerken | brontekst bewerken]Cellen (en al hun interne structuren) worden bestudeerd met behulp van microscopische, biochemische en computationele technieken. Klassieke licht- en fluorescentiemicroscopie stellen onderzoekers in staat om het DNA (chromatine) en aanwezige eiwitten in de kern zichtbaar te maken. Door gebruik te maken van superresolutietechnieken kan de ruimtelijke organisatie van het chromatine en andere componenten gedetailleerd in kaart worden gebracht.[35] Elektronenmicroscopie biedt door de hogere resolutie eveneens een fijn beeld van de moleculaire structuren, zoals het kernmembraan, de kernporiën en de kernlichaampjes. Met live-cell imaging kunnen onderzoekers dynamische processen in levende cellen volgen, zoals transcriptie en DNA-reparatie.[36][37]
- Fluorescentiemicroscopie van cellen, de kern gekleurd met DAPI
- HeLa-cellen. De celkernen fluoresceren blauw. Roze duidt op delingsactiviteit.
- HeLa-cellen. Het cytoskelet is rood gekleurd, de kernen groen
- Epitheelcellen van longarteriën. Kernen zijn blauw, mitochondriën oranje.
Genomische technieken zijn van steeds groter belang geworden voor de ontrafeling van functionele aspecten. Met fluorescentie-in-situhybridisatie (FISH) kunnen specifieke chromosoomdelen zichtbaar worden gemaakt om hun positie binnen de kern te bepalen. Technieken zoals ChIP-seq en ATAC-seq geven inzicht in de binding van eiwitten aan DNA en de toegankelijkheid van het chromatine, zodat men actieve en inactieve delen van het genoom kan onderscheiden.[38][39] De moderne techniek Hi-C heeft duidelijk gemaakt dat het chromatine niet willekeurig is georganiseerd, maar een complexe driedimensionale structuur vormt waarin verschillende DNA-regio's op een geordende manier interacties aangaan met elkaar.[40]
Dynamiek en regulatie
[bewerken | brontekst bewerken]Transport
[bewerken | brontekst bewerken]Elk van de kernporiën in het kernmembraan kan per seconde wel duizend macromoleculen gecontroleerd laten passeren.[9] Het transport náár de celkern bestaat voornamelijk uit eiwitten (zoals laminen, DNA- en RNA-polymerase), nucleotiden, signaalmoleculen en lipiden; het uitgaand transport bestaat uit RNA-moleculen en ribosoomdelen. Kleine deeltjes kunnen vrijelijk door de kernporiën heen bewegen door middel van passieve diffusie. Voor het transport van grote moleculen is hulp nodig van dragereiwitten genaamd karyoferinen. Voor de invoer zorgen importines, voor de uitvoer exportines.
Het transport van grote moleculen door kernporiën wordt gestuurd door het eiwit Ran, een GTPase die als moleculaire schakelaar werkt. Ran komt voor in twee vormen: Ran-GTP en Ran-GDP. In de celkern bevindt zich vooral Ran-GTP, terwijl in het cytoplasma voornamelijk Ran-GDP aanwezig is. Dit verschil ontstaat doordat een Ran-GEF in de kern GDP vervangt door GTP, terwijl een Ran-GAP in het cytoplasma juist de hydrolyse van GTP stimuleert. Hierdoor ontstaat een stabiele Ran-GTP-gradiënt tussen nucleus en cytoplasma.[41]
Bij invoer bindt een importine in het cytoplasma aan een eiwit met een kernlokaliseringssignaal (NLS). Het complex passeert de kernporie, waarna Ran-GTP in de kern aan de importine bindt en het vervoerde eiwit loslaat. Het importine-Ran-GTP-complex keert vervolgens terug naar het cytoplasma, waar GTP wordt omgezet in GDP en het complex uiteenvalt. Doordat Ran-GTP vrijwel alleen in de kern voorkomt, gebeurt de vrijgave van de lading uitsluitend daar.[41] Op deze manier is gecontroleerd tweerichtingsverkeer door de kernporiën mogelijk.
Opbouw en afbraak
[bewerken | brontekst bewerken]
Gedurende één celcyclus vindt volledige opbouw en afbraak van de celkern plaats. Wanneer een cel zich gereedmaakt voor deling, worden de structurele elementen van de celkern – het kernmembraan en de lamina – systematisch ontmanteld. In de meeste eukaryotische cellen vindt ontmanteling van de kern plaats tijdens de profase (het eerste stadium van de mitose). Bij sommige eencellige eukaryoten, zoals gistcellen, blijft de celkern tijdens de deling intact. De dochterchromosomen bewegen dan naar de tegenovergelegen uiteinden van de celkern, en uiteindelijk splitst deze in tweeën. In hogere eukaryoten worden de chromosomen door een spoelfiguur naar beide uiteinden van de cel getrokken.[e] Na insnoering en deling van het cytoplasma vormt zich een nieuw kernmembraan rond de chromosomen.
Om er zeker van te zijn dat de microtubuli van het spoelfiguur zich aan de chromosomen kunnen vasthechten, wordt het kernmembraan rond de chromosomen tijdig afgebroken. Als deze te veel intact blijft, komt de mitose niet op gang.[42] Het ontmantelingsproces van het kernmembraan en de lamina wordt gereguleerd door eiwitkinases die onder andere de laminen in de celkern voorzien van een fosfaatgroep (fosforylering). De lamine-eiwitten laten van elkaar los waardoor de celkern desintegreert. Tegen het eind van de mitose worden de fosfaatgroepen weer verwijderd, waardoor de structuureiwitten weer bijeenkomen en de celkern zich hervormt.[42]
Kwantiteit
[bewerken | brontekst bewerken]Verreweg de meeste eukaryotische cellen hebben een enkele celkern. Bij bepaalde celtypen in meercellige organismen kan de celkern echter afwezig zijn, of juist in veelvoud voorkomen. Kernloze cellen kunnen ontstaan wanneer de cel onevenredig deelt, zodat de ene dochtercel een kern mist en de andere er twee heeft. Meestal is een afwijkend aantal kernen echter het gevolg van normale processen, zoals bij de productie van kernloze rode bloedcellen. Bij mensen zijn de skeletpieren opgebouwd uit veelkernige cellen: ze ontstaan door versmelting van meerdere myoblasten tot één spiervezel.
Kernloze cellen
[bewerken | brontekst bewerken]Cellen die geen celkern bevatten zijn uitsluitend opgebouwd uit cytoplasma en zijn daarom niet in staat om dochtercellen te produceren. Een bekend voorbeeld van kernloze lichaamscellen zijn rode bloedcellen. Rode bloedcellen ontwikkelen zich in het beenmerg via een proces genaamd erytropoëse, waarbij ze hun kern en organellen verliezen. Tijdens de differentiatie van een erytroblast naar een reticulocyt – de voorlopers van een rode bloedcel – wordt de kern fysiek uit de cel verdreven. Men vermoedt dat dit de cel klein en flexibel genoeg maakt om door haarvaten te kunnen bewegen.[43] Mutagene stoffen kunnen ervoor zorgen dat de bloedcellen in wording te vroeg aan de bloedbaan worden afgegeven. Hierdoor ontstaan er erytrocyten met gereduceerde 'microkernen'.[44]
In bedektzadige planten bestaat een vergelijkbaar proces voor zeefcellen. Zeefcellen vormen lange, aaneengesloten vaten waarlangs water en voedingsstoffen getransporteerd worden. Gedurende de differentiatie van zeefcellen degenereren de celkern, de tonoplast en andere organellen, zodat er in de floëemcellen ruimte ontstaat voor efficiënt watertransport.[45]
Meerkernige cellen
[bewerken | brontekst bewerken]
Er bestaan diverse levensvormen die volledig of gedeeltelijk zijn opgebouwd uit meerkernige cellen. De meeste hogere schimmels bijvoorbeeld, vormen op een vast stadium in hun levenscyclus tweekernige schimmeldraden.[46] Verschillende eencelligen eukaryoten (protisten), zoals ciliaten en radiolariën, kunnen ook van nature twee of meer kernen bevatten. De unieke amoebe Pelomyxa palustris kan wel honderden of duizenden kernen in een enkele cel bevatten.[47] Ten slotte zijn er bepaalde algen (zoals Vaucheria en Caulerpa) die coenocytische cellen vormen waarin meermaals kerndelingen plaatsvinden.[48]
Bij de mens zijn de cellen van de skeletspieren versmolten tot weefselstructuren die syncytia genoemd worden.[49] In het syncytium kunnen de kernen vrij rondbewegen. Ze komen voornamelijk voor in het perifere gedeelte van de cellen, om zo ruimte te maken voor de myofibrillen (spiereenheden). Andere meerkernige cellen in het menselijk lichaam zijn de osteoclasten: speciale beencellen die nieuw botweefsel aanleggen. Bij ontstekingen en vermoedelijk ook bij de ontwikkeling van tumoren kan het voorkomen dat twee witte bloedcellen (monocyten en macrofagen) fuseren tot een meerkernige reuscel.[50]
Evolutie
[bewerken | brontekst bewerken]De oorsprong van de celkern behoort tot de meest fundamentele vraagstukken binnen de evolutiebiologie. De wijze waarop de celkern in de loop van de evolutie is ontstaan, is nog niet volledig opgehelderd. Nieuwe inzichten uit de fylogenetica en vergelijkende celbiologie hebben echter geleid tot een beter begrip van de vroege evolutie van eukaryoten.[51] De celkern ontwikkelde zich vermoedelijk ruim 2 miljard jaar geleden bij de gemeenschappelijke voorouder van alle eukaryoten. Om de ontwikkeling te verklaren, zijn verschillende hypothesen voorgesteld.[52][53]
Oorsprong van de celkern
[bewerken | brontekst bewerken]De vraag naar de oorsprong van de celkern hangt samen met de evolutie van de eerste eukaryoten. Moderne theorieën gaan ervan uit dat eukaryoten zijn ontstaan uit een nauwe evolutionaire relatie tussen een archaeale gastheercel en een bacterie (een α-proteobacterie) die uiteindelijk evolueerde tot het mitochondrion.[52] Met name de ontdekking van de Asgard-archaea heeft dit beeld versterkt.[54][55] Deze archaea bezitten genen en eiwitten die sterk overeenkomen met onderdelen van moderne eukaryote cellen, zoals elementen van het cytoskelet en membraantransport. Hierdoor worden zij beschouwd als de dichtst bekende verwanten van de voorouderlijke eukaryote cel.
Het ontstaan van de celkern kan worden verklaard door verschillende modellen. Het zogeheten outside-in-model stelt dat instulpingen van het celmembraan geleidelijk samensmolten rond het genetisch materiaal en zo aanleiding gaven tot het kernmembraan en het endoplasmatisch reticulum.[52] De kernporiën ontwikkelden zich waarschijnlijk door genduplicaties van een vroeg membraan-buigend eiwitcomplex.[56] Daarnaast zijn ook hypothesen voorgesteld waarin een endosymbiotische fusie tussen een bacterie en archaeon aanleiding gaf tot nucleaire compartimentering, het syntrofische model.[57][55]
Endosymbiose
[bewerken | brontekst bewerken]Er zijn sterke aanwijzingen dat mitochondriën en plastiden van oorsprong zelfstandige prokaryoten waren die door een voorouderlijke cel werden opgenomen. In plaats van de opgenomen prokaryoot te verteren, maakte de gastheercel gebruik van de stofwisseling van de prokaryoot, waardoor de twee samen gingen leven (endosymbiose). Na verloop van tijd verloor de endosymbiont een groot deel van zijn genetisch materiaal. Veel van zijn genen werden overgedragen naar de kern van de gastheercel,[f] een verschijnsel dat endosymbiotische genoverdracht wordt genoemd.[58]
Bij sommige algengroepen vond later een tweede endosymbiose plaats, waarbij een eukaryote gastheercel een fotosynthetische eukaryoot, zoals een eencellige groenwier, opnam. De chloroplasten van chlorarachniofyten en cryptomonaden zijn op deze manier ontstaan. Deze plastiden worden door vier membranen omgeven en bevatten zelfs nog een rudimentaire celkern van de oorspronkelijke opgenomen alg, de zogenaamde nucleomorf.[59] Deze structuren bevatten een extreem compact genoom, vaak slechts enkele honderden kilobasen groot.
Ontdekkingsgeschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]
De celkern was een van de eerste celbiologische ontdekkingen. De oudst bekende tekening waarin cellen met een celkern zijn afgebeeld, werd gemaakt door Antoni van Leeuwenhoek (1632–1723) en dateert uit begin 18e eeuw. In een preparaat van rode bloedcellen uit zalmen[g] constateerde hij een "holte", de celkern.[60]
De celkern werd gedetailleerder beschreven door de Schotse botanicus Robert Brown in 1831. Brown bestudeerde de epidermiscellen van orchideeën onder de microscoop en zag daarbij in iedere cel een ondoorzichtig gebied, dat hij "areola" of "nucleus" noemde.[61] Bij zijn beschrijvingen gaf hij nog geen mogelijke functie van de celkern.

In 1838 kwam Matthias Schleiden op het idee dat de celkern een rol speelt bij het genereren van nieuwe cellen, waarbij hij de naam "cytoblast" (celbouwer) introduceerde. In zijn experimenten beweerde hij te zien dat nieuwe cellen zich rond deze "cytoblasten" verzamelden. Franz Meyen was een sterke tegenstander van deze opvatting. Hij geloofde dat celkernen zeldzaam waren, en verklaarde het vermenigvuldigen van cellen in termen van deling. Het idee dat cellen spontaan uit een "cytoblast" ontstonden was bovendien in tegenspraak met de latere celtheorie van Robert Remak (1852) en Rudolf Virchow (1855), die stelde dat elke cel uit een andere cel voortkwam ("Omnis cellula e cellula"). De functie van de celkern bleef lange tijd onduidelijk.[62]
Tussen 1877 en 1878 publiceerde Oscar Hertwig een reeks onderzoeken over de voortplanting van zee-egels, waaruit bleek dat de kern van de zaadcel tijdens de bevruchting versmelt met de kern van een eicel.[63] Voor het eerst werd gesuggereerd dat een individu zich ontwikkelt vanuit een (enkele) celkern, wat veel discussie teweegbracht. Hertwig bevestigde zijn bevindingen in andere diergroepen, waaronder amfibieën en weekdieren. In 1884 kwam ook Eduard Strasburger tot dezelfde conclusie voor de bevruchting in planten. Vanaf die periode werd erfelijkheid meer en meer met de celkern in verband gebracht.
De functie van de celkern als drager van genetische informatie werd pas duidelijk nadat de mitose werd ontdekt en deze nieuwe kennis aan het begin van de 20e eeuw samengevoegd werd met de wetten van Mendel (chromosoom-erfelijkheidstheorie).[62] Na de uitvinding van de elektronenmicroscoop en fluorescentiemicroscoop vanaf de jaren 30 konden structuur en dynamiek van de celkern in groot detail worden beschreven.
Zie ook
[bewerken | brontekst bewerken]Noten
[brontekst bewerken]- ↑ De naam eukaryoot is dan ook een verwijzing naar het hebben van een kern (eu-, "echt" en karyon, "kern"). Organismen die geen omsloten celkern hebben, worden prokaryoot genoemd (de bacteriën en archaea).
- 1 2 Een zeer klein gedeelte van het genoom, het mitochondriaal DNA bevindt zich in de mitochondriën. In plantaardige cellen bezitten plastiden eveneens hun eigen genetisch materiaal.[15]
- ↑ Dit aantal varieert enorm per celtype, van een paar honderd kernporiën in gliacellen tot bijna 20.000 poriën in purkinjecellen (zenuwcellen van de hersenschors).[9]
- ↑ De lichaampjes danken hun naam gemini (tweelingen) aan dit feit.[26]
- ↑ De chromosomen verkeren op dit moment in een verdubbelde toestand. De twee kopieën, die elk de helft van het gerepliceerde chromosoom vormen, worden chromatiden genoemd. Tijdens de celdeling splitsen ze in tegenovergestelde richting uiteen. Zie ook deze figuur.
- ↑ Van de duizenden genen die in de oorspronkelijke prokaryoot voorkwamen, zijn er nog maar 10 tot 200 in tegenwoordige organellen over.[58]
- ↑ In tegenstelling tot rode bloedcellen van zoogdieren bevatten die van veel andere gewervelden wel een celkern.
Bronnen
[brontekst bewerken]- 1 2 (en) Rowat AC, Lammerding J, Herrmann H, Aebi U. (2008). Towards an integrated understanding of the structure and mechanics of the cell nucleus. Bioessays 30 (3): 226–236. PMID 18293361. DOI: 10.1002/bies.20720.
- ↑ (en) Rippe, K. (2007). Dynamic organization of the cell nucleus. Current Opinion in Genetics & Development 17 (5): 373-380. DOI: 10.1016/j.gde.2007.08.007.
- ↑ Alberts 2022, p. 189.
- ↑ (en) Clegg JS (1984). Properties and metabolism of the aqueous cytoplasm and its boundaries. The American Journal of Physiology 246 (2 Pt 2): R133-51. PMID 6364846. DOI: 10.1152/ajpregu.1984.246.2.R133.
- ↑ (en) Paine PL, Moore LC, Horowitz SB (1975). Nuclear envelope permeability. Nature 254 (5496): 109–14. PMID 1117994. DOI: 10.1038/254109a0.
- ↑ Mescher 2016, p. 45.
- ↑ Cooper 2023, p. 340.
- ↑ (en) Solmaz SR, Chauhan R, Blobel G, Melčák I. (2011). Molecular Architecture of the Transport Channel of the Nuclear Pore Complex. Cell 147 (3): 590-602. DOI: 10.1016/j.cell.2011.09.034.
- 1 2 3 4 Alberts 2022, pp. 736-740.
- ↑ (en) Shulga N, Mosammaparast N, Wozniak R, Goldfarb DS (2000). Yeast nucleoporins involved in passive nuclear envelope permeability. The Journal of Cell Biology 149 (5): 1027–38. PMID 10831607. PMC 2174828. DOI: 10.1083/jcb.149.5.1027.
- ↑ (en) Lin DH, Hoelz A. (2019). The Structure of the Nuclear Pore Complex (An Update). Annual Review of Biochemistry 88 (1): 725-783. DOI: 10.1146/annurev-biochem-062917-011901.
- ↑ (en) Gruenbaum Y, Foisner R. (2015). Lamins: Nuclear Intermediate Filament Proteins with Fundamental Functions in Nuclear Mechanics and Genome Regulation. Annual Review of Biochemistry 84 (1): 131-164. DOI: 10.1146/annurev-biochem-060614-034115.
- ↑ (en) Davidson PM, Lammerding J. (2014). Broken nuclei – lamins, nuclear mechanics, and disease. Trends in Cell Biology 24 (4): 247-256. DOI: 10.1016/j.tcb.2013.11.004.
- ↑ (en) Schermelleh L, Carlton PM, Haase S, Shao L, Winoto L, Kner P, Burke B, et al. (2008). Subdiffraction Multicolor Imaging of the Nuclear Periphery with 3D Structured Illumination Microscopy. Science 320 (5881): 1332-1336. DOI: 10.1126/science.1156947.
- ↑ Cooper 2023, pp. 12.
- ↑ (en) Grigoryev SA, Bulynko YA, Popova EY (2006). The end adjusts the means: heterochromatin remodelling during terminal cell differentiation. Chromosome Research 14 (1): 53–69. PMID 16506096. DOI: 10.1007/s10577-005-1021-6.
- 1 2 (en) Pisetsky DS, Lipsky PE. (2020). New insights into the role of antinuclear antibodies in systemic lupus erythematosus. Nature Reviews Rheumatology 16 (10): 565-579. DOI: 10.1038/s41584-020-0480-7.
- ↑ (en) Sirri V, Urcuqui-Inchima S, Roussel P, Hernandez-Verdun D. (2008). Nucleolus: the fascinating nuclear body. Histochemistry and Cell Biology 129 (1): 13-31. DOI: 10.1007/s00418-007-0359-6.
- 1 2 Alberts 2022, pp. 355-356.
- ↑ (en) Lafontaine DLJ, Riback JA, Bascetin R, Brangwynne CP. (2021). The nucleolus as a multiphase liquid condensate. Nature Reviews Molecular Cell Biology 22 (3): 165-182. DOI: 10.1038/s41580-020-0272-6.
- ↑ (en) Boisvert F, Van Koningsbruggen S, Navascués J, Lamond AI. (2007). The multifunctional nucleolus. Nature Reviews Molecular Cell Biology 8 (7): 574-585. DOI: 10.1038/nrm2184.
- ↑ (en) Iarovaia OV, Minina EP, Sheval EV, Onichtchouk D, Dokudovskaya S, Razin SV, Vassetzky YS. (2019). Nucleolus: A Central Hub for Nuclear Functions. Trends in Cell Biology 29 (8): 647-659. DOI: 10.1016/j.tcb.2019.04.003.
- 1 2 3 4 5 (en) Shan L, Li P, Yu H, Chen L. (2024). Emerging roles of nuclear bodies in genome spatial organization. Trends in Cell Biology 34 (7): 595-605. DOI: 10.1016/j.tcb.2023.10.012.
- ↑ (en) Dundr M, Misteli T (2001). Functional architecture in the cell nucleus. The Biochemical Journal 356 (Pt 2): 297–310. PMID 11368755. PMC 1221839. DOI: 10.1042/0264-6021:3560297.
- ↑ (en) Machyna M, Heyn P, Neugebauer KM. (2013). Cajal bodies: where form meets function. WIREs RNA 4 (1): 17-34. DOI: 10.1002/wrna.1139.
- ↑ (en) Matera AG, Frey MR. (1998). Coiled Bodies and Gems: Janus or Gemini?. The American Journal of Human Genetics 63 (2): 317-321. DOI: 10.1086/301992.
- ↑ (en) Nunes VS, Moretti NS. (2017). Nuclear subcompartments: an overview. Cell Biology International 41 (1): 2-7. DOI: 10.1002/cbin.10703.
- ↑ (en) Spector DL, Lamond AI. (2011). Nuclear Speckles. Cold Spring Harbor Perspectives in Biology 3 (2): a000646-a000646. DOI: 10.1101/cshperspect.a000646.
- 1 2 (en) Lallemand-Breitenbach V, De The H. (2010). PML Nuclear Bodies. Cold Spring Harbor Perspectives in Biology 2 (5): a000661-a000661. DOI: 10.1101/cshperspect.a000661.
- ↑ (en) Devos DP, Gräf R, Field MC. (2014). Evolution of the nucleus. Current Opinion in Cell Biology 28: 8–15. PMID 24508984. PMC 4071446. DOI: 10.1016/j.ceb.2014.01.004.
- ↑ (en) López-Otín C, Blasco MA, Partridge L, Serrano M, Kroemer G. (2013). The Hallmarks of Aging. Cell 153 (6): 1194-1217. DOI: 10.1016/j.cell.2013.05.039.
- ↑ (en) Kornblihtt AR, Schor IE, Alló M, Dujardin G, Petrillo E, Muñoz MJ. (2013). Alternative splicing: a pivotal step between eukaryotic transcription and translation. Nature Reviews Molecular Cell Biology 14 (3): 153-165. DOI: 10.1038/nrm3525.
- ↑ (en) Shine M, Gordon J, Schärfen L, Zigackova D, Herzel L, Neugebauer KM. (2024). Co-transcriptional gene regulation in eukaryotes and prokaryotes. Nature Reviews Molecular Cell Biology 25 (7): 534-554. DOI: 10.1038/s41580-024-00706-2.
- ↑ (en) Gagliardi D, Dziembowski A. (2018). 5′ and 3′ modifications controlling RNA degradation: from safeguards to executioners. Philos Trans R Soc Lond B Biol Sci. 373 (1762): 20180160. PMID 30397097. DOI: 10.1098/rstb.2018.0160.
- ↑ (en) Nozaki T, Imai R, Tanbo M, Nagashima R, Tamura S, Tani T, Joti Y, et al. (2017). Dynamic Organization of Chromatin Domains Revealed by Super-Resolution Live-Cell Imaging. Molecular Cell 67 (2): 282-293.e7. DOI: 10.1016/j.molcel.2017.06.018.
- ↑ (en) Bigley RB, Payumo AY, Alexander JM, Huang GN. (2017). Insights into nuclear dynamics using live‐cell imaging approaches. WIREs Systems Biology and Medicine 9 (2). DOI: 10.1002/wsbm.1372.
- ↑ (en) Heyza JR, Mikhova M, Schmidt JC. (2023). Live cell single-molecule imaging to study DNA repair in human cells. DNA Repair 129: 103540. DOI: 10.1016/j.dnarep.2023.103540.
- ↑ (en) Furey TS. (2012). ChIP–seq and beyond: new and improved methodologies to detect and characterize protein–DNA interactions. Nature Reviews Genetics 13 (12): 840-852. DOI: 10.1038/nrg3306.
- ↑ (en) Grandi FC, Modi H, Kampman L, Corces MR. (2022). Chromatin accessibility profiling by ATAC-seq. Nature Protocols 17 (6): 1518-1552. DOI: 10.1038/s41596-022-00692-9.
- ↑ (en) Eagen KP. (2018). Principles of Chromosome Architecture Revealed by Hi-C. Trends in Biochemical Sciences 43 (6): 469-478. DOI: 10.1016/j.tibs.2018.03.006.
- 1 2 Alberts 2022, pp. 740-741.
- 1 2 (en) Lippincott-Schwartz, J. (2002). Cell biology: ripping up the nuclear envelope. Nature 416 (6876): 31–2. PMID 11882878. DOI: 10.1038/416031a.
- ↑ (en) Gregory T. (2001). The Bigger the C-Value, the Larger the Cell: Genome Size and Red Blood Cell Size in Vertebrates. Blood Cells, Molecules, and Diseases 27 (5): 830-843. DOI: 10.1006/bcmd.2001.0457.
- ↑ (en) Dertinger SD, Torous DK, Hayashi M, Macgregor JT. (2011). Flow cytometric scoring of micronucleated erythrocytes: an efficient platform for assessing in vivo cytogenetic damage. Mutagenesis 26 (1): 139-145. DOI: 10.1093/mutage/geq055.
- ↑ (en) Evert RF, Eichhorn SE. (2013). Raven Biology of Plants, 8th. W.H. Freeman Publishers, 547–552. ISBN 978-1-4292-1961-7.
- ↑ (en) Wallen RM, Perlin MH. (2018). An Overview of the Function and Maintenance of Sexual Reproduction in Dikaryotic Fungi. Frontiers in Microbiology 9. DOI: 10.3389/fmicb.2018.00503.
- ↑ (en) Gutiérrez G, Chistyakova LV, Villalobo E, Kostygov AY, Frolov AO. (2017). Identification of Pelomyxa palustris Endosymbionts. Protist 168 (4): 408-424. DOI: 10.1016/j.protis.2017.06.001.
- ↑ (en) Mine I, Menzel D, Okuda K. (2008). Morphogenesis in Giant-Celled Algae. International Review of Cell and Molecular Biology 266: 37-83. DOI: 10.1016/S1937-6448(07)66002-X.
- ↑ Mescher 2016, p. 255-256.
- ↑ (en) McNally AK, Anderson JM. (2011), 'Macrophage Fusion and Multinucleated Giant Cells of Inflammation in: Cell Fusion in Health and Disease, Springer, 97–111. ISBN 978-94-007-0763-4.
- ↑ (en) Nahas K., How the Nucleus Made its Great Debut. The Scientist (5 maart 2026). Geraadpleegd op 1 mei 2026.
- 1 2 3 (en) Donoghue PC, Kay C, Spang A, Szöllősi G, Nenarokova A, Moody ER, Pisani D, et al. (2023). Defining eukaryotes to dissect eukaryogenesis. Current Biology 33 (17): R919-R929. DOI: 10.1016/j.cub.2023.07.048.
- ↑ (en) Baum B, Spang A. (2023). On the origin of the nucleus: a hypothesis. Microbiology and Molecular Biology Reviews 87 (4). DOI: 10.1128/mmbr.00186-21.
- ↑ (en) Baluška F, Lyons S. (2021). Archaeal Origins of Eukaryotic Cell and Nucleus. Biosystems 203: 104375. DOI: 10.1016/j.biosystems.2021.104375.
- 1 2 (en) Zaremba-Niedzwiedzka K, Caceres EF, Saw JH, Bäckström D, Juzokaite L, Vancaester E, Seitz KW, et al. (2017). Asgard archaea illuminate the origin of eukaryotic cellular complexity. Nature 541 (7637): 353-358. DOI: 10.1038/nature21031.
- ↑ (en) Devos DP, Gräf R, Field MC. (2014). Evolution of the nucleus. Current Opinion in Cell Biology 28: 8-15. DOI: 10.1016/j.ceb.2014.01.004.
- ↑ (en) López-García P, Moreira D. (2020). The Syntrophy hypothesis for the origin of eukaryotes revisited. Nature Microbiology 5 (5): 655-667. DOI: 10.1038/s41564-020-0710-4.
- 1 2 (en) Timmis JN, Ayliffe MA, Huang CY, Martin W. (2004). Endosymbiotic gene transfer: organelle genomes forge eukaryotic chromosomes. Nature Reviews Genetics 5 (2): 123-135. DOI: 10.1038/nrg1271.
- ↑ (en) Archibald JM. (2007). Nucleomorph genomes: structure, function, origin and evolution. BioEssays 29 (4): 392-402. DOI: 10.1002/bies.20551.
- ↑ Leeuwenhoek, A. van: Opera Omnia, seu Arcana Naturae ope exactissimorum Microscopiorum detecta, experimentis variis comprobata, Epistolis ad varios illustres viros. J. Arnold et Delphis, A. Beman, Lugdinum Batavorum 1719–1730. Geciteerd volgens: Dieter Gerlach, Geschichte der Mikroskopie. (2009). Verlag Harri Deutsch, Frankfurt am Main, Duitsland, p. 89. ISBN 978-3-8171-1781-9.
- ↑ (en) Brown, Robert (1866). On the Organs and Mode of Fecundation of Orchidex and Asclepiadea. Miscellaneous Botanical Works I: 511–514.
- 1 2 (de) Cremer, Thomas (1985). Von der Zellenlehre zur Chromosomentheorie. Springer Verlag, Berlin, Heidelberg, New York, Tokyo. ISBN 978-3-540-13987-4. Online versie
- ↑ (en) Clift D, Schuh M (2013). Restarting life: fertilization and the transition from meiosis to mitosis (Box 1). Nature Reviews Molecular Cell Biology 14 (9): 549–62. PMID 23942453. PMC 4021448. DOI: 10.1038/nrm3643.
Literatuur
[brontekst bewerken]- Algemeen
- (en) Alberts, B, Heald R, Johnson A. (2022). Molecular Biology of The Cell, 7th. W.W. Norton & Company. ISBN 978-0-393-42708-0.
- (en) Cooper, GM, Adams KW. (2023). The Cell: A Molecular Approach, 9th. Oxford University Press. ISBN 978-0-19-758372-2.
- (en) Misteli T, Spector DL. (2011). The Nucleus. Cold Spring Harbor Laboratory Press. ISBN 978-0-87969-894-2.
- Prinsen J, van der Leij FR. (2025). De bouwstenen van het leven, 4de. Wageningen Academic. ISBN 978-90-04-72085-5.
- (en) Mescher, AL, Wisse E, Vreuls CPH, Hillebrands J. (2016). Junqueira's Functionele histologie. Bohn Stafleu van Loghum. ISBN 978-90-368-1089-0.
- Reviews
- (en) Zidovska A. (2020). The rich inner life of the cell nucleus. Biophysical Reviews 12 (5): 1093-1106. DOI: 10.1007/s12551-020-00761-x.
- (en) Lusk CP, King MC. (2017). The nucleus: keeping it together by keeping it apart. Current Opinion in Cell Biology 44: 44-50.
- (en) Pederson T. (2011). The Nucleus Introduced. Cold Spring Harbor Perspectives in Biology 3 (5).
Externe links
[brontekst bewerken]- Cellnucleus.com, Universiteit van Alberta