Cytoplasma

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Celbiologie
De dierlijke cel
Animal Cell
Componenten van een dierlijke cel:
  1. Nucleolus
  2. Celkern
  3. Ribosoom (blauwe puntjes)
  4. Vesikel
  5. Ruw endoplasmatisch reticulum
  6. Golgicomplex
  7. Cytoskelet
  8. Glad endoplasmatisch reticulum
  9. Mitochondrion
  10. Vacuole
  11. Cytosol
  12. Lysosoom
  13. Centrosoom
  14. Celmembraan
Portaal  Portaalicoon  Biologie

Het cytoplasma is de volledige inhoud van een cel, met uitzondering van de celkern. Het cytoplasma bestaat uit het cytosol (de grondvloeistof), de organellen en alle andere inwendige celcomponenten zoals eiwitten. Het cytoplasma wordt begrensd door een membraan, die ervoor zorgt dat de levende celinhoud niet naar buiten stroomt. Het cytoplasma bestaat voor ongeveer 80% uit water en is rijk aan eiwitten, koolhydraten, ionen en nucleïnezuren.

Het belangrijkste bestanddeel van het cytoplasma is het cytosol: de waterige grondvloeistof waarin alle cellulaire structuren zijn ingebed. De termen cytosol en cytoplasma worden vaak synoniem gebruikt, maar zijn strikt genomen verschillend. Het cytoplasma omvat bij eukaryoten namelijk ook de organellen, zoals het mitochondrion, de ribosomen en het golgicomplex.

In het cytoplasma vinden veel verschillende cellulaire processen plaats. Voorbeelden zijn stofwisselingsroutes, zoals de glycolyse, maar ook mechanische processen zoals opbouw van het cytoskelet. Het cytoskelet is een dynamisch netwerk van vezelige eiwitten die de cel stevigheid en beweeglijkheid geeft.

De term cytoplasma werd in 1863 geïntroduceerd door de Duitse anatoom Albert von Kölliker als synoniem voor "protoplasma". Pas in 1882 werd de betekenis veranderd op voorstel van Eduard Strasburger.[1] Sindsdien verwijst de term naar het vocht van een cel, exclusief de celkern. In bepaalde gevallen worden ook andere organellen weggelaten, zoals de vacuole of plastiden.

Bestanddelen[bewerken | brontekst bewerken]

Cytosol[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Cytosol voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het cytosol is de waterige basissubstantie van een cel: het is in feite het gedeelte van het cytoplasma dat zich buiten de organellen bevindt. Het cytosol komt overeen met ongeveer 70% van het totale celvolume en is een complex mengsel van eiwitten en wateroplosbare moleculen (aminozuren, ion, enzovoorts). In het cytosol is het cytoskelet: een netwerk van lange filamenten van actine en microtubuli. Ook grotere moleculaire complexen, zoals ribosomen of proteasomen, zijn opgelost in het cytosol. Het binnenste, meer vloeibare deel van het cytoplasma wordt ook wel endoplasma genoemd.

In deze microscopische opnames zijn verschillende cellulaire compartimenten en structuren zichtbaar gemaakt met behulp van groen fluorescent proteïne.

Omdat het cytosol een enorme concentratie aan opgeloste macromoleculen bevat, gedraagt het cytosol zich niet als een ideale oplossing. Door de hoge hoeveelheid eiwitten en grote moleculen ontstaat een effect genaamd macromolecular crowding (macromoleculaire verdringing). Dit effect verandert de manier waarop de componenten van het cytosol interacties met elkaar aangaan.[2]

Organellen[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Organel voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Organellen zijn subcellulaire structuren in de cel die specifieke functies vervullen. Een aantal organellen zijn door een membraan omgeven, en hebben hierdoor een eigen inwendig milieu. Voorbeelden van een aantal belangrijke organellen zijn de mitochondriën, het endoplasmatisch reticulum, het golgiapparaat, de vacuolen, lysosomen en in plantaardige cellen de chloroplasten.

Overige insluitsels[bewerken | brontekst bewerken]

Naast organellen zijn er in veel celtypen ook kleine lichaampjes of insluitsels in het cytoplasma te onderscheiden.[3] Deze lichaampjes kunnen zeer verschillend zijn qua vorm en functie, bijvoorbeeld kleine kristallen van calciumoxalaat of siliciumdioxide,[4][5] of granules (korrels) van zetmeel of glycogeen.[6] Bijzonder wijdverspreid zijn de kleine, bolvormige druppeltjes van lipiden die in zowel prokaryoten als eukaryoten worden gebruikt om vetzuren en sterolen op te slaan.[7] Lipidedruppeltjes vormen met name in adipocyten (vetcellen) een belangrijk aandeel van het cytoplasma, maar ze komen ook voor in andere celtypen.

Fysische eigenschappen[bewerken | brontekst bewerken]

De natuurkundige eigenschappen van het cytoplasma in vivo zijn nog niet geheel ontrafeld. De beweging van intracellulaire componenten is afhankelijk van de permeabiliteit van het cytoplasma.[8] Kennis hiervan is onder meer van belang bij signaalprocessen, de manier waarop signaalmoleculen door de cel diffunderen en hun functie vervullen.[9] Hoewel kleine signaalmoleculen zoals calciumionen gemakkelijk diffunderen, hebben grotere moleculen vaak hulp nodig om efficiënt door het cytoplasma te bewegen.[10] Deze onregelmatige dynamiek blijft een belangrijk onderzoeksthema.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]