Centriool

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schema van een dierlijke cel

1. Nucleolus, 2. Celkern, 3. Ribosoom, 4. Vesikel, 5. Ruw endoplasmatisch reticulum, 6. Golgiapparaat, 7. Cytoskelet, 8. Glad endoplasmatisch reticulum, 9. Mitochondrion, 10. Vacuole, 11. Cytoplasma, 12. Lysosoom, 13. Centriool
Drie-dimensionale voorstelling van een centriool.
Diameter 150 nm, lengte 300 - 500 nm

Een centriool is een organel zonder membraanstructuur dat voorkomt in alle dierlijke cellen, altijd twee per centrosoom. Hierbij staat het ene centriool loodrecht op het tweede. Het voorkomen van centriolen loopt terug tot bij de gisten (onder andere Saccharomyces cerevisiae), bij cellen van hogere planten worden centriolen niet aangetroffen.

Centriolen spelen een belangrijke rol bij de celdeling, hierbij verdubbelen ze en begeven ze zich elk naar een tegenovergestelde kant van de cel. Van hieruit kunnen ze elk, met behulp van de eiwitdraden, de helft van de 2n chromosomen (dus n paar chromosomen, bestaande uit 4n chromatiden) afzonderen, waarna de cel zich kan delen en de moedercel twee dochtercellen voortbrengt.

Een centriool heeft de vorm van een cilindertje, opgebouwd uit negen groepjes van drie microtubuli (buisjes) die gerangschikt zijn als de schoepen van een watermolen.

De centriolen kunnen ook orgaantjes bevatten die de trilharen en zweepdraden aanmaken. Trilharen vindt men onder andere in de slijmwegen. Zweepdraden zijn de 'staartjes' aan de mannelijke zaadcellen.

Men vermoedt dat centriolen overblijfselen zijn van spirocheten maar deze theorie gaat enkel op voor dierlijke cellen.[1]

Doorsnede van een centriool uit een cel van een embryo van een muis