Eek (eik)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een eekschiller

Eek of bark is de gedroogde bast van de eik, na toevoegen van water wordt het run genoemd. Run werd vroeger gebruikt voor het looien van huiden.

Al vanaf de middeleeuwen werd hiervoor speciaal eikenhakhout geteeld, dat om de 10 tot 12 jaar in mei en juni als de sapstroom het sterkst was gekapt werd. De schors werd vaak door kinderen eerst van de stammen losgeklopt en vervolgens afgeschild. Deze wijze van eekproductie hield in de Lage Landen tot het begin van de twintigste eeuw stand.

De bast werd gedroogd in eekschuren om vervolgens vermalen te worden in eek- of runmolens. Met water aangelengd was het materiaal geschikt voor de leerlooierij.