Elena Stasova

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Elena Stasova

Elena Dmitrijevna Stasova (Russisch: Еле́на Дми́триевна Ста́сова), (nabij Sint-Petersburg, 3 oktober 1873 - Moskou, 31 december 1966) was een Russisch communistisch revolutionaire en politica. Ze gold als een van de naaste en meest trouwe medewerkers van Lenin.

Leven, politieke carrière[bewerken]

1873-1916[bewerken]

Stasova werd geboren in een welgestelde Peterburgse familie. Haar vader was een vooraanstaand advocaat, haar moeder een bekend feministe, kunstcriticus Vladimir Stasov was haar oom. Na afronding van het gymnasium ging ze lesgeven aan zondagsschool voor kinderen uit de lagere sociale klassen. Daar sloot ze vriendschap met collega-docente Nadezjda Kroepskaja, de latere echtgenote van Lenin. Vanaf 1898 wijdde ze zich volledig aan de revolutionaire zaak. Ze sloot zich aan bij de Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij en vanaf 1903 (na de breuk met de mensjewieken) bij de bolsjewieken van Lenin. Lange tijd zou ze diens belangrijste agente in Sint-Petersburg zijn. Ze was betrokken bij tal van illegale activiteiten, waaronder verspreiding van de illegale krant Iskra, werd meermaals gearresteerd en in 1913 naar Siberië verbannen. In 1916 keerde ze terug naar Sint-Petersburg.

Stasova met Lenin op het tweede Comintern-congres, 1920

1917-1925[bewerken]

Tijdens en vooral ook in de eerste jaren na de Russische Revolutie speelde Stasova vervolgens een vooraanstaande rol in de Russische politieke arena. Ze werd geroemd om haar organisatietalent. Direct na de Februari-revolutie van 1917 werd ze secretaris van het eerste Centraal Comité van de Communistische Partij. Tevens maakte ze vanaf augustus 1917 deel uit van het eerste Secretariaat van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, waarvan ze in 1919 een aantal maanden voorzitter was. Van 1918 tot 1920 was ze kandidaatlid van het Politbureau. Ze was een van de oprichtsters van de Tsjeka. Van 1921 tot 1925 verbleef ze te Berlijn als Sovjet-afgevaardigde in het uitvoerend comité van de Komintern.

1925-1966[bewerken]

Na haar terugkeer in de Sovjet-Unie was Stasova tot 1937 secretaris van de Internationale Rode Hulp. Ze ontkwam aan Stalins Grote Zuivering en was bij diens dood in 1953 de enige overlevende van de 26 leden die tijdens de revolutie het eerste centraal comité hadden gevormd. In 1948 werd ze nog wel berispt en zelfs enige tijd gevangen gezet vanwege een lofrede op Nikolaj Boecharin[1]. Stasova kreeg vier maal de Leninorde, alsook de eretitel Held van de Socialistische Arbeid. Ze overleed op oudejaarsdag 1966 op 93-jarige leeftijd.

Literatuur[bewerken]

  • Walther Schmieding: Aufstand der Töchter: russische Revolutionärinnen im 19. Jahrhundert München, 1979, ISBN 3-463-00765-7
  • Victor Sebestyen: Lenin. Leven en legende. Spectrum, 2017.ISBN 9789000354535
  • Stasova figureert ook in Yuri Slezkines tweedelige familiesaga Het huis van de regering, 2017.

Externe links[bewerken]

Noot[bewerken]

  1. In 1961 nam Stasova het andermaal op voor Boecharin en diende samen met drie anderen een rehabilitatieverzoek in, opnieuw tevergeefs. Boecharin werd pas tijdens de glasnost in ere hersteld.