Haman

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Straf van Haman door Michelangelo

Haman is een persoon uit het Bijbelboek Esther. In dit boek was hij de tweede man (eerste minister) achter de Perzische koning Ahasveros (waarvan algemeen aangenomen wordt dat dit Xerxes I is).

Haman in de Bijbel[bewerken]

In het Bijbelboek Esther is Haman (zijn naam betekent "de magnifieke") de schurk. Hij is de zoon van Hammedata, een nakomeling van Agag, de koning van de Amalekieten die door koning Saul werd verslagen. De naam Haman is mogelijk afkomstig van Hamman, de Elamitische oppergod.

In het verhaal bereidt Haman de moord voor op alle Joden die in het Perzische rijk woonden omdat de jood Mordechai niet voor hem wilde buigen. Hij overreedt koning Ahasveros een wet te tekenen waarin wordt bepaald dat alle joden op een bepaalde dag mogen worden gedood. Het plan van Haman wordt echter gedwarsboomd door koningin Esther, de joodse vrouw van koning Ahasveros. Haman en zijn zonen worden ter dood gebracht (opgehangen of gespietst, afhankelijk van de vertaling) aan de paal die ze hadden opgericht om Mordechai ter dood te brengen.

Poerimfeest[bewerken]

De overwinning van Esther op Haman wordt nog steeds gevierd in het Joodse poerimfeest. Daarbij worden symbolisch de oren van Haman gegeten. Deze Hamansoren zijn grote plakken knapperig gefrituurd beslag. Het boek Esther wordt voorgelezen en elke keer als Haman wordt genoemd, wordt dat door de luisteraars (vooral de kinderen) begeleid door afkeurend lawaai.

Haman in de Islam[bewerken]

In de Koran, het belangrijkste boek in de Islam is Haman (Arabisch هامان, uitspraak: hāmān) een belangrijk persoon aan het hof van de farao in de tijd van de profeet Mozes. De naam Haman komt in totaal zes keer voor in de Koran[1].

Toen God Mozes naar Farao stuurde om hem tot het Monotheïsme uit te nodigen, werd er door Haman en de Farao spot met hem gedreven en werden de Joden gestraft. Hij werd uitgemaakt voor een leugenaar en een tovenaar. Zij weigerden gehoor te geven aan de roep om monotheïsme te bedrijven en de Kinderen van Israel vrij te laten. De farao gaf opdracht aan Haman om een hoge toren te bouwen, zodat hij naar de God van Mozes kon klimmen.

Referenties[bewerken]

  1. 28:6, 28:8, 28:38, 29:39, 40:24, 40:36