Harmonisatiewet-arrest

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Harmonisatiewetarrest)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Harmonisatiewet
Datum 14 april 1989
Instantie Hoge Raad der Nederlanden
Rechters S.K. Martens, A.R. Bloembergen, W.E. Haak, H.L.J. Roelvink, S. Boekman
Adv.-gen. M.R. Mok
Soort zaak   civiel
Procedure cassatie
Onderwerp   toetsing van wetten in formele zin aan het Statuut
Vindplaats   NJ 1989/469, m.nt. M. Scheltema
AB 1989/207, m.nt. F.H. van der Burg
ECLI   ECLI:NL:HR:1989:AD5725

Het Harmonisatiewet-arrest (HR 14 april 1989, NJ 1989/469) is een uitspraak van de Nederlandse Hoge Raad waarin werd bepaald dat wetten in formele zin niet mogen worden getoetst aan het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

Casus en procesverloop[bewerken | brontekst bewerken]

Bezuinigingen in het hoger onderwijs, neergelegd in de "Harmonisatiewet", leidden tot een verhoging van het collegegeld en tot beperking van het recht op studiefinanciering voor een bepaalde groep studenten. Zij vorderden van de president in kort geding de Staat te bevelen de nieuwe wetsbepalingen niet toe te passen, omdat deze in strijd zouden zijn met (onder meer) de rechtszekerheid, neergelegd in artikel 43 van het Statuut:

  1. Elk der landen draagt zorg voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur.
  2. Het waarborgen van deze rechten, vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur is aangelegenheid van het Koninkrijk.

De president van de rechtbank Den Haag, mr. Meindert Wijnholt, achtte de wetsbepalingen in strijd met het Statuut en wees de vordering toe. Het cassatieberoep van de Staat werd toegewezen.

Hoge Raad[bewerken | brontekst bewerken]

De Hoge Raad overwoog:

[dat] ten tijde van de totstandkoming van het Statuut gold dat wetten niet mochten worden getoetst aan de Grondwet en fundamentele rechtsbeginselen en dat zulks wezenlijk was voor de traditionele plaats van de rechter in ons staatsbestel. Tegen deze achtergrond ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat men bij de totstandkoming van het Statuut daarin een dergelijke toetsing zou hebben willen invoeren. Daarom is voor een bevestigende beantwoording van evenbedoelde vraag slechts plaats indien de tekst van het Statuut dan wel de officiële toelichting of de geschiedenis van zijn totstandkoming ondubbelzinnig in die richting wijzen.

— r.o. 4.2.

Dat laatste was echter volgens de Hoge Raad niet het geval.

Ook was voor de Hoge Raad van belang dat, afgezien van het bestreden vonnis, geen voorbeelden bekend waren van uitspraken waarbij de rechter in een van de landen een wettelijke maatregel aan het Statuut had getoetst. In zoverre kon, aldus de Hoge Raad, «worden gezegd dat in het Koninkrijksrecht sprake is van een traditie van niet-toetsing die overeenstemt met wat ingevolge artikel 120 Grondwet in Nederland voor de rechter geldt.»

Werking[bewerken | brontekst bewerken]

Het Harmonisatiewet-arrest impliceert dat een ruime interpretatie van het in Nederland gebruikelijke verbod op grondwettelijke toetsing geboden is.