Harpstedt-Nienburg-groep

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vroege ijzertijd:

 Harpstedt-Nienburg-groep

 Jastorf-cultuur

 Noordse bronstijd

 La Tène-groep

 Huisurnencultuur

De Harpstedt-Nienburg-groep is een archeologisch complex uit de ijzertijd op de hogere zandgronden van Noordwest-Duitsland en Oost-Nederland. Van een kerngebied aan de Midden-Wezer spreidde de cultuur zich uit tussen de Eems en Midden-Elbe en in het zuiden tot aan de Nederrijn.

Ze is vernoemd naar twee karakteristieke vormen van aardewerk, de Harpstedter Rauhtopf en de Nienburger Tasse.

Harpstedt-keramiek[bewerken]

Harpstedt-keramiek uit Bantorf

De ruwe Harpstedter pot is vernoemd naar de plaats Harpstedt in Nedersaksen. Ze wordt gevonden in een oudere breed uitlopende en een jongere slanke vorm.

De van sterk gemagerde klei vervaardigde wand is meestal opgeruwd met kleislib. De relatief grove stijl heeft geleid tot de Duitse benaming Rauhtopf. De ruwe potten hebben als enige versiering een door vingernagelindrukken ingekeepte strook onder de rand.

Het verspreidingsgebied is betrekkelijk gesloten. Beide vormen nemen de ruimte tussen Aller en Nederrijn, met vondstconcentraties aan de Midden-Weser. De kuststrook tussen Weser en Ems lijkt bijna leeg te zijn. In Westfalen komt de jongere vorm iets vaker voor dan de oudere.

Nienburg-keramiek[bewerken]

Nienburger kom uit Mehlbergen

De eerste vindplaats van het Nienburg-keramiek was bij Nienburg-Erichshagen, waar in de 19e eeuw de eerste ontdekkingen werden gedaan in een grafheuvelveld. Karakteristiek voor de Nienburg-groep is de Nienburger Tasse, glad aardewerk met brede opening, korte hals en overvloedig versierde schouder.

Cultuur[bewerken]

De Harpstedt-Nienburg-groep nam een middenpositie in tussen de Centraal-Europese (Keltische) La Tène-cultuur in het zuiden en de (Germaanse) Jastorf-cultuur in het noordoosten tussen Weser en Oder. In het zuiden waren er al tekenen van een hoge cultuur met stad-achtige nederzettingen (de zogenaamde oppida), met een rijke bovenlaag en intensieve contacten met het Middellandse Zee-gebied. In tegenstelling daarmee toont de Harpstedt-Nienburger groep tegenover de bronstijd slechts geringe veranderingen, karige materiële omstandigheden, en slechts weinig tekenen van sociale differentiatie.

De vondsten van de Harpstedt-Nienburg groep zijn zowel ruimtelijk als in de tijd ongelijkmatig. Door regionale verschillen wordt een onderscheid gemaakt tussen een Ems-Hunte groep in het westen en een Nienburg-groep in het oosten. Opvallend is het verschil in huisvormen: In het westen was het tweebeukige huis gebruikelijk, in het oosten en noorden het driebeukige langhuis, dat zich eeuwen later tot de hallenhuisboerderij ontwikkelde. In zowel de twee- als driebeukige huizen leefden mensen en dieren onder één dak (woonstalhuis). De eenvoudige boerderijen stonden als strooinederzettingen in het land, een nederzettingspatroon dat zich ten westen van de Weser tot de dag van vandaag heeft bewaard.

De invloeden uit het zuiden waren tijdens de Hallstatt-periode nog gering, maar werden sterker in de La Tène-periode. In de 3e eeuw voor Christus werden in het zuidelijke grensgebied van de Harpstedt-Nienburg groep verdedigingswallen gebouwd. Ook de cultus van de dood veranderde zich. Gedurende de hele periode werden doden meestal verbrand. In de vroege ijzertijd werd de as bewaard in een urn welke begraven werd op begraafplaatsen, die al in de bronstijd dit doel hadden. Later werden de lichamen op nieuwe locaties op een brandstapel verbrand en met een grafheuvel bedekt. De ijzertijdgrafheuvels in dit gebied zijn echter veel kleiner dan in andere regio's.

Taal[bewerken]

Door de voorstanders van de controversiële Noordwestblok-theorie wordt het gebied van de Harpstedt-Nienburger groep gezien als ontstaan uit de voor-Germaanse Elp-cultuur, die door een kleine Germaanse elite van taal veranderde.