Huwelijkse voorwaarden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Dit artikel beschrijft de situatie in Nederland. In België wordt het vergelijkbare begrip huwelijkscontract gebruikt.

Met huwelijkse voorwaarden wordt bedoeld een overeenkomst tussen echtgenoten, waarin het recht op huwelijksvermogen (bezit en inkomen) van beiden wordt geregeld. Huwelijkse voorwaarden komt men overeen als men wil afwijken van het wettelijk vermogensstelsel van de gemeenschap van goederen. De wettelijke gemeenschap van goederen ontstaat van rechtswege (dat wil zeggen automatisch) bij het aangaan van een huwelijk.

De notaris moet van de huwelijkse voorwaarden een akte opmaken, anders zijn ze niet geldig. Hij moet de akte van huwelijkse voorwaarden inschrijven in het openbaar huwelijksgoederenregister bij de rechtbank van de plaats waar het huwelijk wordt gesloten. Het openbaar huwelijksgoederenregister kan door iedereen worden ingezien. Indien de huwelijkse voorwaarden niet worden ingeschreven, werken ze alleen tussen de echtgenoten onderling. Bepalingen in de huwelijkse voorwaarden kunnen dan niet door de echtelieden tegen die derden worden ingeroepen.

Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel vóór het sluiten van het huwelijk, als tijdens het huwelijk worden gemaakt. Als ze tijdens het huwelijk worden gemaakt, moeten ze door de rechtbank worden goedgekeurd (de op 1 januari 2012 inwerkingtredende Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen (Stb 2011, 205) verandert dit, goedkeuring is dan niet meer vereist), om te voorkomen dat schuldeisers worden gedupeerd.

Wettelijke bepalingen over huwelijkse voorwaarden zijn opgenomen in titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Deze regels gelden ook voor een geregistreerd partnerschap , al wordt in het spraakgebruik daarvoor de term partnerschapsvoorwaarden gehanteerd.

Een verrekenbeding is een afspraak tussen partners om inkomsten en/of vermogen met elkaar te verrekenen. Verrekenbedingen zijn onderdeel van huwelijksvoorwaarden.

Kamerleden werken aan een initiatiefwetsvoorstel dat moet zorgen dat voorhuwelijkse eigendommen en schulden, en ook erfenissen en giften, niet meer standaard worden opgenomen in de gemeenschap van goederen.[1]

Redenen voor het opstellen[bewerken]

Voor het opstellen van huwelijkse voorwaarden zijn een aantal hoofdredenen te onderscheiden:

  • Bescherming tegen ondernemersrisico’s: schuldeisers van de ondernemer kunnen het vermogen van de partner niet aanspreken (uiteraard tenzij de partner zich mede garant stelt, wat banken vaak wel als voorwaarde stellen als men een lening wil afsluiten).
  • Bescherming van het eigen vermogen (of bepaalde goederen) tegen aanspraken van de partner bij echtscheiding.
  • Voorkomen van deling van inkomen, schenkingen, makingen of erfenissen.
  • Voorkomen van aantasting van het eigen vermogen door gedragingen van de partner.

Contractuele huwelijksstelsels[bewerken]

Ruwweg zijn de voorwaarden in drie belangrijke soorten stelsels onder te verdelen: koude uitsluiting, beperkte gemeenschappen en verrekenbedingen. Elke soort heeft eigen voor- en nadelen. In de praktijk komen mengvormen van deze drie soorten veel voor. Ieder echtpaar heeft namelijk specifieke wensen en een eigen motivering om de voorwaarden op te stellen. Bij de wetswijziging in 2001 van het burgerlijk wetboek inzake huwelijkse voorwaarden werd de volgende tabel gegeven van het voorkomen van verschillende soorten van huwelijkse voorwaarden in 1996:

Verrekeningstelsels 72,7% (verrekenbedingen)
Koude uitsluiting 13,5% (koude uitsluiting)
Gemeenschap van goederen met uitzondering van bepaalde goederen 2,2% (beperkte gemeenschap)
Gemeenschap van inboedel 1,8% (beperkte gemeenschap)
Gemeenschap van woonhuis 1,0% (beperkte gemeenschap)
Wettelijk deelgenootschap 0,7% (beperkte gemeenschap)
Gemeenschap van vruchten in inkomsten 0,2% (beperkte gemeenschap)
Gemeenschap van winst en verlies 0,1% (beperkte gemeenschap)
Overige stelsels 8,6%

Koude uitsluiting[bewerken]

Bij 'koude uitsluiting' is iedere vorm van gemeenschappelijk vermogen (bezit en inkomen) uitgesloten. Het is een uitsluiting van gemeenschap (Ned) of een scheiding van goederen (B). De betekenis van het woord 'koud' is dubbel. Deze verwijst enerzijds naar de omstandigheid dat de echtgenoten niets gemeenschappelijk maken en ook niets met elkaar verrekenen, economisch blijven zij dus koud tegenover elkaar staan. Anderzijds is er een link met het 'van de koude kant zijn', een uitdrukking die gebruikt wordt voor de aangetrouwde tak van de familie, die geen bloedverwant is.

Tussen de echtelieden bestaat een minimum aan financiële banden. Het enige wat hen aan elkaar bindt, is de wettelijke verplichting om elkaar 'het nodige' te verschaffen waaronder de meer concrete verplichting de kosten van de huishouding te dragen en het geld daarvoor te verschaffen. Dit is de Nederlandse terminologie. In België heet het dan dat de echtgenoten naar evenredigheid van hun vermogen moeten bijdragen in de lasten van het huwelijk. Bij een scheiding hoeft dan ook niets verdeeld te worden van vermogen.

Commentaar
Het nadeel van dit soort huwelijkscontract is dat dit tot zeer onrechtvaardige situaties kan leiden, bijvoorbeeld wanneer één van beide partners geen inkomen heeft. De keuze voor 100% koude uitsluiting wordt de laatste decennia minder gemaakt; oorspronkelijk was het de gebruikelijke vorm. Het pakt in de praktijk echter vaak onbillijk uit voor de niet-beroepsactieve echtgenoot die veel heeft geïnvesteerd in huishouden, gezin en kinderen. Om die reden heeft professor Alain Verbeke, hoogleraar privaatrecht en rechtsvergelijking aan de Katholieke Universiteit Leuven en de Universiteit van Tilburg, voor een wettelijk verbod op deze constructie gepleit bij de komende reconstructie van het huwelijksvermogensrecht. Zo wordt gepleit voor meer genuanceerde huwelijkscontracten met bijvoorbeeld een verrekenbeding (zie hieronder), de zgn. warme uitsluiting. Aldus wordt betoogd dat partners, ook deze buiten huwelijk voor zover in een duurzame relatie, gelijkelijk moet delen of verrekenen in hetgeen zij tijdens de duur van de relatie uit arbeid hebben opgebouwd. Het argument voor huwelijksvoorwaarden van koude uitsluiting is dat geen van de partners financieel (veel) beter hoeft te worden van een scheiding ten opzichte van de situatie dat men elkaar nog niet kende.

Beperkte gemeenschappen[bewerken]

Bij beperkte gemeenschap van goederen is er sprake van een gemeenschappelijk deel, en een privédeel. Er kan bijvoorbeeld gekozen worden voor een vastgelegd gemeenschappelijk deel, bijvoorbeeld de inboedel van het huis, waarbij de rest privébezit van de afzonderlijke echtelieden is. Ook kan voor het omgekeerde gekozen worden, dus dat er gemeenschap is in alle goederen, behalve bepaalde vastgelegde zaken (bijvoorbeeld goederen die men al bezat voorafgaand aan het huwelijk, schenkingen of erfrecht).

Een praktisch probleem van deze voorwaarden is dat het vaak moeilijk is om privébezit en gemeenschappelijk bezit uit elkaar te houden. Voor deze vorm van huwelijkse voorwaarden wordt dan ook in Nederland niet zoveel gekozen. In het buitenland is deze vorm overigens zeer gebruikelijk. In 2003 is een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer, waardoor de beperkte gemeenschap van goederen de standaard wordt, in plaats van de algehele gemeenschap van goederen.

Gemeenschap van vruchten en inkomsten[bewerken]

Bij de gemeenschap van vruchten en inkomsten blijft alles wat men heeft voor het huwelijk persoonlijk eigendom. Alles wat men tijdens het huwelijk verkrijgt is gemeenschappelijk, behalve als het voor meer dan de helft uit het persoonlijk vermogen van één van de echtgenoten is betaald.
Het bedrijf van een echtgenoot blijft persoonlijk eigendom, maar de winst of het verlies uit het bedrijf is gemeenschappelijk.
Erfenissen, schenkingen en giften die tijdens het huwelijk worden ontvangen horen niet bij de gemeenschap.
Schulden ‘volgen’ de goederen: als de goederen persoonlijk eigendom zijn, is de schuld die voor die goederen gemaakt is ook persoonlijk. Als de goederen gemeenschappelijk zijn, is de schuld ook gemeenschappelijk.
Als bij ontbinding van de gemeenschap, bijvoorbeeld bij echtscheiding of overlijden, er meer schulden zijn dan bezittingen, moet de schuld worden betaald door de echtgenoot die de schuld is aangegaan.

Dit stelsel is vervallen met de inwerkingtreding van de Wet van 18 april 2011 tot wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen).

Gemeenschap van winst en verlies[bewerken]

De gemeenschap van winst en verlies is gelijk aan de gemeenschap van vruchten en inkomsten, alleen wordt bij ontbinding van de gemeenschap een eventueel overblijvende schuld gelijk verdeeld.

Dit stelsel is vervallen met de inwerkingtreding van de Aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen.

Wettelijk deelgenootschap[bewerken]

Een stelsel van huwelijkse voorwaarden dat van 1970 tot 2002 in de wet was opgenomen. Vanzelfsprekend is dit stelsel nog steeds van kracht voor echtparen bij wie het in die periode in de akte van huwelijkse voorwaarden is opgenomen.
Bij dit stelsel is er geen gemeenschap van goederen. Wel moet de vermeerdering van het vermogen worden gedeeld bij het einde van het huwelijk. Erfenissen en schenkingen vallen buiten de verdeling.
Het vermogen aan het begin van het huwelijk, plus de erfenissen en schenkingen die men heeft ontvangen tijdens het huwelijk vormen samen het stamvermogen. Het bedrag dat men moet delen berekent men door aan het eind van het huwelijk het totale vermogen te verminderen met het stamvermogen.

Periodieke verrekening van inkomsten[bewerken]

Een inkomsten-verrekenbeding wordt vaak gecombineerd met een uitsluiting van algehele gemeenschap van goederen of met een beperkte goederengemeenschap. In het geval van het periodieke verrekenbeding komt men overeen na een bepaalde periode, meestal een jaar, het inkomen van beiden, verminderd met de kosten van de gezamenlijke huishouding, samen te voegen en het saldo bij helfte te delen. De minst verdienende echtgenoot krijgt door de verrekening van inkomsten een vordering op de ander, die volgens de wet in geld moet worden uitbetaald. Het gaat alleen om de batige saldi van beiden. Als het inkomen van een echtgenoot door ondernemingsverlies negatief is, wordt dat niet in de inkomstenverrekening betrokken. In januari kan dan weer met een schone lei begonnen worden. Dit wordt ook wel het Amsterdamse verrekenbeding genoemd, naar ontwerpen van Lubbers (1935) — het "oude Amsterdams model" — en Van der Ploeg (1959) — het "nieuwe Amsterdams model".
Een praktische methode is het hele jaar het verdiende geld op een "gezamenlijke bankrekening" te storten en daaruit alle uitgaven voor de gezamenlijke huishouding te betalen. Die bankrekening behoort, omdat er geen gemeenschappelijk vermogen is, tot het vrije mede-eigendom van beiden; na afloop van een jaar dient het saldo alsnog verdeeld te worden, bijvoorbeeld door storting op de privé-rekeningen. Zo'n bankrekening houdt namelijk alleen in dat beiden bevoegd zijn te beschikken: het zegt niets over de mate van gerechtigheid van beide echtgenoten; alleen als die niet meer bewezen kan worden, zal gelden dat ieder tot de helft gerechtigd is.

De rechtspraak toont aan, dat het inkomstenverrekenbeding voor de nodige uitvoeringsproblemen zorgt. Uitvoeringsproblemen komen dan aan het licht in het kader van echtscheidingsprocedures. Oorzaak van die problemen blijkt voornamelijk te zijn dat de echtparen verzuimden tijdens het huwelijk de verrekening uit te voeren.
Zo staat in oudere akten van huwelijkse voorwaarden vaak een termijn waarbinnen de verrekening plaats moet vinden. Na die termijn kan niet meer met terugwerkende kracht worden verrekend. In het geval dat één partner geen inkomen heeft en er tijdens het huwelijk nooit verrekend is, staat die partner bij echtscheiding alsnog met (bijna) lege handen. Halverwege de jaren '90 heeft de Hoge Raad (HR 19 januari 1996, NJ 1996, 617 (Rensink-Polak)) bepaald dat een beroep op zo'n vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, tenzij blijkt van omstandigheden die een beroep op het beding rechtvaardigen.

Sindsdien wordt een korte vervaltermijn steeds minder in de akte van huwelijkse voorwaarden opgenomen.

Finaal verrekenbeding[bewerken]

In het geval van het finale verrekenbeding worden alle eigendommen van een echtpaar gelijk verdeeld bij het eindigen van de huwelijksovereenkomst, alsof het echtpaar in gemeenschap van goederen getrouwd was. Deze vorm van verrekenbeding kan dienen als aanvulling op een van de vorige genoemde drie soorten voorwaarden. Men kan hiervoor bijvoorbeeld kiezen, wanneer men tijdens het huwelijk een strikte scheiding wil tussen elkaars eigendommen - omdat één van beiden bijvoorbeeld een eigen bedrijf heeft - maar men al het geld na overlijden of echtscheiding toch eerlijk verdeeld wil hebben.

Belangrijke bepalingen die in de akte kunnen voorkomen[bewerken]

De meeste van de hieronder genoemde bepalingen hebben betrekking op de meest voorkomende stelsels: het inkomensverrekenbeding en de koude uitsluiting.

  • Uitsluiting of beperking van de gemeenschap van goederen, eventuele verwijzing naar een wettelijk geregeld stelsel.
  • Bij een beperkte gemeenschap van goederen een benoeming van die gemeenschappelijke goederen.
  • Een omschrijving wat tot de kosten van de huishouding wordt gerekend.
  • Een verhouding waarin de kosten van de huishouding worden verdeeld.
  • Een definitie van het inkomen waaruit de kosten van de huishouding worden betaald (wat wordt wel of niet tot het inkomen gerekend).
  • Een definitie van het vermogen (wat wordt wel of niet tot het vermogen gerekend en hoe wordt de waarde van het vermogen vastgesteld) waaruit de kosten van de huishouding moeten worden betaald.
  • Een termijn waarbinnen de kosten van de huishouding moeten worden verrekend.
  • Verdeling van inkomen hoger dan de kosten van de huishouding.
  • Een definitie van het inkomen dat moet worden verdeeld (dit kan afwijken van het inkomen waaruit de kosten van de huishouding moeten worden betaald).
  • Een termijn waarbinnen verrekening van inkomens plaats moet vinden.
  • Beperking van inkomensverrekening bij bedrijfsverliezen.
  • Compensatie van bedrijfsverliezen voordat inkomensverrekening plaatsvindt.
  • Pensioenverevening. Zie ook Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
  • Finaal verrekenbeding
  • alimentatie (pas mogelijk om toe te voegen wanneer men al getrouwd is of een geregistreerd partnerschap heeft)

Opstellen en wijzigen[bewerken]

Bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden zullen er bij de notaris een aantal vragen naar voren komen. Dit kunnen bijvoorbeeld de volgende aandachtspunten zijn:

  • Verdelen van het vermogen (bijvoorbeeld schenkingen of erfenissen)
  • Verdelen van de inkomsten uit arbeid
  • Verdelen van de kosten voor het huishouden
  • Gevolgen van een echtscheiding
  • Gevolgen van overlijden van één van beiden
  • Gevolgen voor het pensioen en verzekeringen
  • Een eventuele eigen onderneming
  • Regelingen rond (de financiering van) een huis

Voor het opstellen of wijzigen van huwelijkse voorwaarden is medewerking van beide partijen nodig. In de regel worden ze opgesteld voorafgaand aan het huwelijk. De voorwaarden moeten worden vastgelegd in een notariële akte. De huwelijkse voorwaarden zijn pas geldig vanaf het moment dat het huwelijk tot stand is gekomen. Het maken van huwelijkse voorwaarden kost, afhankelijk van de notaris, zo tussen de 500 en 1000 euro.

Achteraf wijzigen of alsnog aangaan van huwelijkse voorwaarden is ook mogelijk. Dit wordt doorgaans gedaan wanneer de financiële situatie van het echtpaar verandert, of wanneer de echtelieden een meer evenwichtige economische verhouding tot elkaar willen hebben. Met een verzoek naar de notaris gaan, is dan echter niet meer mogelijk: er is goedkeuring van de rechtbank nodig om de huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk nog te kunnen veranderen. De kosten voor het opstellen van de voorwaarden liggen daardoor aanmerkelijk hoger. Tussenkomst van de rechter is per 1-1-2012 niet meer nodig. Momenteel is er een wetsvoorstel waarin wordt voorgesteld om de rechterlijke goedkeuring af te schaffen. Dit scheelt aanzienlijk in de kosten (in 2006 kost de rechterlijke goedkeuring alleen al 196 euro). Inmiddels is op 1-1-2012 de wet aangenomen.

Ook wanneer twee geregistreerde partners huwelijkse voorwaarden willen opstellen wanneer ze willen trouwen, of wanneer ze ze willen wijzigen op het moment dat ze gaan trouwen, moeten ze daarvoor toestemming van de rechtbank vragen. Wanneer twee geregistreerde partners echter al partnerschapsvoorwaarden hadden, en ze deze niet willen wijzigen als ze gaan trouwen, dan worden deze voorwaarden in huwelijkse voorwaarden omgezet, zonder dat er tussenkomst van rechter of notaris nodig is.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Voor bovenstaand artikel of een eerdere versie ervan is gebruikgemaakt van