IJslandvaart

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Aan boord van de O.129 Amandine (9 jan 2005)

De IJslandvaart is het bevissen van de rijke IJslandse visgronden van het continentale plat rond IJsland door vissersschepen zoals onder andere de O.129 Amandine.

Duizenden vissers van vele landen verdienden hun brood op IJslanders. De wateren rond IJsland waren een van de rijkste ter wereld. In die tijd betekende kwantiteit, soms tot 6000 kg vis per dag, meer dan kwaliteit.

Geschiedenis[bewerken]

Reeds in de 17de eeuw was er sprake van IJslandvaarders.

Tijdens de 20e eeuw gingen tal van schepen verloren. Vanaf 1945 verloren 49 vissers het leven in de IJslandse waters waarvan er 23 door golven overboord werden gesleurd.

De laatste Vlaamse IJslandvaarder was Engel Puystiens, overleden op 95-jarige leeftijd.

De laatste Belgische IJslandvaarder die met de klassieke IJslandvaart vanuit Noord-Frankrijk op zeilschepen de kost verdiende was Theophiel Decroo in 1934. Jeroom Bonte uit Adinkerke was dan weer de laatste in leven zijnde IJslandvaarder. Hij deed drie reizen van zes maanden vanuit Duinkerke en overleed in 1979 (zie naslagwerk 'Onze IJslandvaarders'-2011- Johan Depotter).

Het leven aan boord[bewerken]

Tocht[bewerken]

De tocht naar IJsland nam vanuit Oostende zo'n vier dagen in beslag over een afstand van 1005 zeemijl, via wateren die geregeld door stormen werden geteisterd. IJslandvaarders waren stevig gebouwd om het lange verblijf op soms woelige zeeën te doorstaan.

Tabak en whisky aan boord van de O.129 Amandine (9 jan 2005)

Het schip sleepte een groot treilnet achter zich aan. Aan boord werd de vis zo snel mogelijk gegut (het wegsnijden van de ingewanden), vaak ononderbroken in diensten van 18 uur. Kabeljauw, tot anderhalve meter lang, vormde de hoofdmoot. De vis werd eerst in een wasbak gegooid en kwam dan, via het visluik op de planken vloer van het visruim terecht. De stuurman was verantwoordelijk voor het stouwen van de 70 ton wegende vangst en hield daarbij rekening met de stabiliteit van zijn schip. Een vol ruim kon in 1962 12.400 euro opleveren; in 1995 was de vracht tot 86.850 euro waard.

Aan boord liep een visser wacht van 22 uur tot 8 uur 's morgens, van 8 uur tot 16 uur en van 16 uur tot 22 uur. Vaak namen schippers hun zonen mee. Vissers op de IJslandvaart genoten een groot aanzien bij hun collega's. Ze werkten tijdens de winter bij lage temperaturen en kregen te maken met black frost waarbij zich tonnen ijs op het schip vormden. Hiermee vergeleken was vissen op de Noordzee een relatief gemakkelijke klus.

Weer aan de kade[bewerken]

Na een tocht van gemiddeld drie weken kreeg de bemanning drie dagen rust. De vangst werd in 5 à 6 uur aan land gebracht, onmiddellijk na het aanmeren. De manden (luwebennen) bevatten 70 tot 80 kg vis en ijs. Dan voer het schip naar een kade in de buurt van de pakhuizen van de rederij waar eventuele onderhoudswerken werden uitgevoerd. De tweede dag kwam nieuw ijs aan boord en op de derde dag leverden de bakker, groenteboer, aardappelboer en slager de levensmiddelen.

Het einde van de IJslandvaart[bewerken]

Als reactie zocht IJsland, via internationaal overleg, een manier om zijn visgronden te beschermen. Tussen 1901 en 1975 werd de territoriale zee uitgebreid tot een exclusieve economische zone van 200 zeemijl. In 1972 gold een verbod op vangst binnen een 50-mijlzone. 19 Oostendse schippers kregen toelating om binnen de limieten te vissen. Uiteindelijk bleef de Amandine als laatste over tot zij er in 1995 de brui aan gaf.

Externe links[bewerken]