Onvoltooid verleden tijd (Frans)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Imparfait)
Ga naar: navigatie, zoeken

Als je in het Frans wilt zeggen hoe iets vroeger was of dat je iets vaak deed, gebruik je de onvoltooid verleden tijd, in het Frans imparfait geheten. Je maakt de imparfait door eerst de vorm van nous (= 1e persoon mv) in de présent te nemen, daar -ons (= de uitgang) van af te halen en de uitgangen van de imparfait (-ais, -ais, -ait, -ions, -iez, -aient) voor in de plaats te zetten.

Deze tijd duidt een handeling aan in het verleden, die aan volgende voorwaarden beantwoordt:

  • een handeling die herhaald wordt
  • een handeling die een gewoonte aanduidt
  • een handeling die nog lopende was, op het moment dat een andere begon

In geval van een eenmalige en afgewerkte handeling wordt de passé composé of (vooral in geschreven taal) passé simple gehanteerd. In de gesproken taal wordt van de passé simple voornamelijk de 3de persoon enkelvoud gebruikt. Voor de andere personen wordt hier meestal de passé composé gehanteerd.

L'imparfait bij regelmatige werkwoorden[bewerken]

Parler (praten)

Nous parlons → -ons = parl-
  • je parlais - ik praatte
  • tu parlais - jij praatte
  • il/elle/on parlait - hij/zij/men praatte
  • nous parlions - wij praatten
  • vous parliez - jullie praatten
  • ils/elles parlaient - zij praatten


finir (eindigen)

Nous finissons → -ons = finiss-
  • je finissais
  • tu finissais
  • il/elle/on finissait
  • nous finissions
  • vous finissiez
  • ils/elles finissaient

Attendre (wachten)

Nous attendons → -ons = attend-
  • j' attendais
  • tu attendais
  • il/elle/on attendait
  • nous attendions
  • vous attendiez
  • ils/elles attendaient

L'imparfait bij onregelmatige werkwoorden[bewerken]

Ook bij onregelmatige werkwoorden kan je de imparfait vormen door de nous-vorm in de présent te nemen. Faire = maken, doen Nous faisons → -ons = fais(= stam)

  • je faisais
  • tu faisais
  • il faisait
  • elle faisait
  • on faisait
  • nous faisions
  • vous faisiez
  • ils faisaient
  • elles faisaient

Uitzondering:

Maar bij être kan dat niet!
être = zijn
Nous sommes → 'Som' is niet de stam. De stam is ét.
Dus:

  • j' étais
  • tu étais
  • il était
  • elle était
  • on était
  • nous étions
  • vous étiez
  • ils étaient
  • elles étaient

Zie ook[bewerken]