Jacob Appius

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Jacob Appius, heer van Stadwijck (Groningen, 1730 – Groningen, 1789) was een advocaat aan het Hof van Holland.

Leven en Werk[bewerken]

Jacob Appius, was zoon van kolonel Matthias Haycko Appius en Geertruda Theodora van Brunsveld[1],werd gedoopt op 17 september 1730 in Groningen. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Groningen, en sloot zijn studie af met het proefschrift "De voluntate et consensu" op 25 juni 1755 . Daarna vestigde hij zich te Amsterdam.

Op 6 november 1755 werd Appius advocaat aan het Hof van Holland. Daarna vertrok hij voor ongeveer vijftien jaar naar Paramaribo, Suriname. In 1770 repatrieerde hij samen met zijn zwarte bediende Jan Christiaan naar de hofstede "Stadwijck" te Sappemeer, waar hij samen met zijn oudste zuster ging wonen. In 1789 overleed Appius en werd bijgezet in de A-kerk te Groningen. Zijn graf werd gedekt met een blauwe steen, voorzien van het familiewapen in koper.

Vrijmetselarij[bewerken]

Appius was als vrijmetselaar verbonden aan diverse loges. Zo was hij de oprichter (1765-1767) en eerste voorzittend meester van de Surinaamse loge La Zélée en was van 1770 tot 1773 voorzittend meester van de Groninger vrijmetselaarsloge loge L'Union Provinciale. Appius trad af bij de laatst genoemde, omdat de geheimhouding van de loge geschonden werd.

Voorganger:
Matthias Haycko Appius
Heer van Stadwijck
1775-1789
Opvolger:
Steven van Delden
Voorganger:
Jan Evert Lewe van Aduard
Voorzittend meester van de loge L'Union Provinciale
1773-1776
Opvolger:
H.J. Wichers