Joseph Kirchhoffs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Heinrich Joseph Kirchhoffs/Kerckhoffs (Herzogenrath, 24 oktober 1724[1] - aldaar, 11 mei 1772[2]), was chirurgijn in het Land van 's-Hertogenrade en vermeend leider van de Bokkenrijders.

Joseph werd als zoon van Nicolaas Kerckhoffs en Catharina Douveren geboren in Herzogenrath. Hij had vijf broers en een zus: Johanna (1705 - 30.10.1785), Joannes (Joes, 13-02-1706), Balthasar (Baltus, 27.09.1707 - 07.05.1771), Dionijs (22-11-1708) en Peter (1720-1771).

Hij gebruikte de Nederlandse versie van zijn achternaam (Kerckhoffs) [3], alsook de Duitse versie (Kirchhoffs)[4]. Vooral onder zijn Duitse naam is hij bekend geworden.

Kerckhoffs bezocht de kloosterschool en kreeg op zijn negentiende zijn leerbewijs, na in de leer te zijn geweest bij dr. J. Jacobus Wagener. Na zijn opleiding ging hij in dienst in het Oostenrijkse leger. Hij was eerst onderofficier en daarna heelmeester. Hij verbleef enkele jaren als legerarts in Brussel.

In 1752 trad hij uit dienst en vestigde zich als chirurgijn in Herzogenrath. Kort daarna werd hij lid (en leider) van de Bokkenrijders, waarvoor werd hij gearresteerd op 14 augustus 1771. Hij werd ter dood veroordeeld en op 11 mei 1772 opgehangen aan de galg op de Beckenberg in Herzogenrath.

Kerckhoffs trouwde in 1759 met Anna Elisabeth Mans en had zes kinderen:

Een volledige stamboom vindt u bij ondergenoemde artikelen.

Het Mysterie Joseph Kerckhoffs[bewerken]

Met betrekking tot arrestatie, verhoor en vonnis van Joseph Kerckhoffs (leider van de bende van Herzogenrath e.o.) zijn er nog altijd veel onopgeloste mysteries.

Het meest bekende en geruchtmakende bokkenrijders-proces in het Land van ’s-Hertogenrade was ongetwijfeld de zaak tegen Joseph Kerckhoffs, die tijdens de verhoren van de gevangenen regelmatig werd genoemd als aanvoerder of kapitein van de bende. Kerckhoffs stond te goeder naam en faam bekend en genoot de reputatie van een achtenswaardig en goed katholiek. Tussen 1743 en 1752 had hij in het Oostenrijks leger gediend en het vak van chirurgijn geleerd. Na zijn ontslag uit militaire dienst vestigde hij zich in Herzogenrath met instemming van abt Fabrtitus van Rolduc, en kwam daar tot een zekere welstand. Dankzij zijn beroep beschikte hij over relaties binnen kringen van adel en geestelijkheid. Maar hij zou ook vijanden hebben gemaakt: volgens Charles Rahlenbeck had Kerckhoffs ruzie gemaakt met de hoogdrossaard, graaf Maximiliaan Hendrik Hoen van Carthils, over de hoogte van een ingediende declaratie voor bewezen diensten aan de rechtbank.

Omdat hij alle beschuldigingen ontkende, verordonneerde het gerecht toepassing van de tortuur. De eerste pijniging vond plaats op 10 oktober 1771. Aangezien de verdachte zweeg en bleef zwijgen, werd in de daaropvolgende maanden enkele malen de procedure herhaald, echter zonder het gewenste resultaat voor de justitie. Dat nam niet weg dat zich de beschuldigingen tegen hem als gevolg van bekentenissen van andere bendeleden opstapelden. Op 4 mei 1772 werd het doodvonnis, gebaseerd op getuigenverklaringen, uitgesproken.

Zware tortuur[bewerken]

Kerckhoffs werd gemarteld, hij kreeg zoals velen van de vermeende bendeleden de behandeling met de duimschroeven, de Spaanse laars (schacht die strak rond de schenen wordt aangedraaid) en de wipgalg. Daarnaast werd hij (zie Jaarboek OCGL 2009, pag. 32) op een judaswieg gezet; een houten bokje met een scherpe bovenkant en de benen schrijlings naar beneden. Door zijn gewicht en extra gewichten aan zijn voeten werd zijn kruis op het scherp van de snede gedrukt. Volgens enkele bronnen bekende hij echter niet. De ingeroepen hulp van een jezuïet uit Aken, die als biechtvader optrad, leidde evenmin tot de gewenste inkeer. Ook niet toen hij enkele dagen voor te terechtstelling nog een laatste maal gefolterd werd, met onder andere de wipgalg. Tegen de aanwezige schout en schepenen sprak hij toen:

“Meine Herren! Ist Ihnen nun Genüge geschehen? Wo nicht. So möget Ihr mein Leib in Stücke zerreisen ….darum sollt Ihr aber doch nichts weiter aus mir herausbringen“ (bron: Gierlichs, pag 108).

Kerckhoffs zou als een van de weinigen niets verteld hebben van zijn deelname aan de bokkenrijders-activiteiten ondanks een dubbele portie folteringen.

Tegenspraak in de bekentenissen[bewerken]

Joseph Anton Prummer, grafelijk commissaris te Gronsveld, spreekt dit tegen. Hij schreef twee brieven in 1773 en 1775 aan zijn superieur, August Joseph graaf Toerring Jettenbach, landsheer van het rijksgraafschap Gronsveld. Prummer had contact met Johan J.B.J. Corneli, schout in Rimburg, Welz, Roerdorf en Alsdorf, die persoonlijk betrokken was geweest bij een aantal bokkenrijders-processen. Mogelijk is dus dat Prummer zijn informatie uit de eerste hand hebben gehad.

Prummer omschreef - als redelijk objectief ooggetuige - Kirchhoffs als een gefortuneerd man, die bekend was als een goed katholiek, die regelmatig in de betere kringen verkeerde en zelfs ‘sehr beliebt’ was bij graaf Hoen van Carthils, de hoog-drossaard van het Land van ‘s Hertogenrade. Op de relatie tussen Kirchhoffs en graaf Hoen heeft Prummer een visie die afwijkt van de heersende opvatting. Toen de bewijzen tegen Kirchhoffs zich opstapelden, was er vanuit de Raad van Brabant in Brussel opdracht gegeven hem aan te houden. Er werd verteld dat graaf Hoen hem kort voor zijn arrestatie had aangeraden zich uit de voeten te maken en zelfs huisvesting en levensonderhoud had aangeboden op een van zijn goederen in Westfalen. Kerckhoffs, had dit advies in de wind geslagen.

Prummer: “Op de pijnbank had hij op de vraag naar namen van medeplichtigen, diverse notabelen genoemd, mensen die boven iedere verdenking stonden. De bij het verhoor aanwezige graaf Hoen verloor daarop zijn geduld, onderbrak de pijniging en zei dat hij de antwoorden van Kerckhoffs beschouwde als een bespotting van de justitie omdat ze net zo belachelijk zouden zijn als de opmerking dat hij, graaf Hoen, tot de medeplichtigen hoorde. Daarna had Kirchhoffs er het zwijgen toe gedaan en was tenslotte, met goedkeuring van de Raad van Brabant, ter dood veroordeeld,” (citaat uit Th. J. van Rensch, Twee onbekende brieven over bokkerijdersprocessen).

De stukken van de verhoren nooit bewaard zijn gebleven; het kan dus ook niet bewezen worden dat hij zonder bekentenis veroordeeld werd.

Zijn vrouw en hun zes kinderen bleven vermoedelijk in de buurt wonen en zij is mogelijk hertrouwd. Volgens onderzoekster Grete Esser is Kerckhoffs echtgenote, Anna Elisabeth Mans (overleden 1-7-1793) hertrouwd geweest met de koster van de parochie aldaar, Peter Joseph Sonnenschein.

In moderne cultuur[bewerken]

  • Kirchhoffs is het hoofdpersonage van de boeken over de Bokkenrijders van Ton van Reen.
  • In de serie "De legende van de Bokkenrijders" wordt Kirchhoffs gespeeld door de Belgische acteur Gene Bervoets
  • Kirchhoffs is tevens een hoofdpersonage in het boek Die Bockreiter van Jozef Ponten uit het Duits vertaald door Drs.F. Engler en gedrukt te Wormerveer bij Meijer's Boek en Handelsdrukkerij uitgegeven door Holle en Co, uitgevers, 's-Gravenhage

Literatuur[bewerken]

  • R.G.W. Hamers, "Josef Kirchhoffs, een legendarische Limburger", Jaarboek 2009 Heemkunde OCGL, Landgraaf 2009
  • Stamboom Josef Kirchhoffs, in: Bulletin OCGL, 3/2009.
  • Juliaan Melchior (1848 Dilsen - 1920 Hasselt) , De Bokkerijders, Feiten en verhalen. Dit boek van Juliaan Melchior heet bij historici en kenners van de Limburgse geschiedenis het enige boek te zijn waarin de feiten werkelijk op een rijtje werden gezet.

Het verscheen voor het eerst in 1915.tweede druk 1981 Uitgeverij De Lijster isbn: 90 6486 013 0

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Henri Kerckhoffs. Het proces Joseph Kerckhoffs, 1724-1772. Van Spijk B.V., Venlo. 1987. ISBN 90 6216 4226
  2. Dagboek abdij Kloosterroode, in: Wilhelm Gierlichs. De geschiedenis der Bokkerijders in 't voormalig land van 's-hertogenrode. 1972. Schrijen B.V Maastricht., pag. 181
  3. Rekening voor Pieter Speentjes. Rijkshistorisch Archief Maastricht in de collectie Landen van Overmaas onder nummer 8195.
  4. Sollicatiebrief naar de functie van chirurgijn in Herzogenrath, in: Wilhelm Gierlichs. De geschiedenis der Bokkerijders in 't voormalig land van 's-hertogenrode. 1972. Schrijen B.V Maastricht., pag. 193.