Kalendebroeders

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Kalendebroeder was de benaming voor leden van de zowel in Noord-Duitsland als in Nederland vooral gedurende de late middeleeuwen voorkomende genootschappen of broederschappen van geestelijken en leken waarvan de bijeenkomsten als voornaamste doel hadden te bidden voor de zielenheil van gestorven leden of hun naasten.

Andere bezigheden waren het vieren van de mis en armoedebestrijding. Aan het hoofd van een genootschap van kalendebroeders stond vaak een geestelijke, hetgeen samen met de goedkeuring of zelfs begunstiging die soms verleend werd door lokale bisschoppen, duidelijk de erkenning door de kerkelijke hiërarchie aangeeft. Dit is opvallend omdat de leden van genootschappen niet alleen uit diverse rangen en standen afkomstig konden zijn, maar zelfs van beide geslachten, waarbij de vroegst bekende genootschappen dateren uit de tijd dat de kerk repressie tegen de begijnen propageerde.

Herkomst van de naam[bewerken]

De term „kalendebroeders” is waarschijnlijk afkomstig van het feit dat de leden (oorspronkelijk) op de eerste dag van de maand (Lat. calendae) bijeenkwamen. De regel om ter afsluiting van de bijeenkomst een gezamenlijke maaltijd te nuttigen, ontaarde mettertijd in eet- en drinkgelagen, waarvan de uitdrukkingen „drinkebroer” en „drinken als een kalenderbroeder” afkomstig zijn. In de loop der tijden zijn er diverse spellingswijzen en andere termen geweest om de genootschappen der kalendebroeders aan te duiden: calende, calande, calander, kalanderbroeders, kalendenbroeders, kalenderbroeders, calandbroeders, kalant(s)bruder, kaland broederschap, kalendae broeder, kalangebroeders, kalende broeder, broeders van den Heiligen geest, zielbroeders, zielbroederen, fratres kalendarïi. Land dat in bezit was bij een genootschap van kalendebroeders, werd wel kaland genoemd.

Financiën[bewerken]

Tijdens de Reformatie werden in Nederland vele genootschappen van kalendebroeders opgeheven, waarbij opgebouwd gemeenschappelijk bezit doorgaans opgingen in fondsen voor predikanten, met de gedachte dat dit doel binnen de protestantse gemeenschap het dichtst stond bij de bedoeling die de schenkers van de gelden er in het verleden mee gehad hadden. De vermogens konden aanzienlijke bedragen zijn, opgebouwd uit deelnamegelden, schenkingen, legaten en opbrengsten uit beleggingen. De boekhouding en statutaire documentatie werden doorgaans bewaard bij leden thuis of in een kerkelijke administratie, wat vaak niet bevorderlijk was voor het onderhoud en de staat van de documenten.

Literatuur[bewerken]

  • Bodemann, Eduard, Die geistlichen Brüderschaften inbesondere die Kalands- und Kagelbrüder der Stadt Lüneburg in Mittelalter, Zeitschrift des historischen Vereins für Niedersachsen (1882), 64-128
  • Driessen, Robert, Monumenta Groningana veteris aevi inedita, vol. 3 (Groningen 1827), 600-614 (tevens gepubliceerd in Boekzaal der geleerde wereld, en Tijdschrift voor de Protestantsche Kerken in het Koningrijk der Nederlanden, jaargang 13, 1829 - pag. 435 etc.)
  • Helmert, T., (1980) Kalendae, Kalenden, Kalande, Archiv für Diplomatik, Schrifgeschichte, Siegel- und Wappenkunde 26, 1-55
  • Kruisheer, C. I. , De Onze Lieve Vrouwe-broederschap te Doesburg, ca.1397-1580 : godsdienstige broederschappen en hun achtergrond / bloeiperiode van de O.L. Vrouwe-broederschap, neergang door kentering in het geloofsleven; het memorieboek als bron van genealogische gegevens, (Ellecom : Kruisheer 1976), 7
  • Meilink, P.A., Inventaris van het archief van de broederschap der kalenden te Groningen (Groningen 1911)
  • Rappard, F.A. van, (1839) De fundatie der zielbroeders te Utrecht anno 1436, Tijdschrift voor geschiedenis, oudheden en statistiek van Utrecht, volume 5. ‚s Gravenhage
  • Tresling, T.P., De broederschap der kalenden te Groningen, Groningse Volksalmanak. Historisch jaarboek voor Groningen 2 (1838), 154-158
  • Trio, P., Carnier, M., La confrérie nommée ‘kalande’: réminiscence d’une organisation à base décanale dans le comté de Flandre au Moyen Age, in: Opsommer, R., Van Ieperse scholen en lenen, schilderijen en criminelen uit vererlei eeuwen (Ypres 1999)