Komt vrienden in den ronde (het slijperswiel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Komt vrienden in den ronde (het slijperswiel) is een Nederlands volksliedje dat door het gewone volk werden gezongen en mondeling werden overgeleverd.

Het liedje gaat over de ambachtsman die met een kar langs de deuren ging om de messen te slijpen en uitlegt waarom zijn beroep het beste is. De huidige tekst over de scharenslijper is in 1895 door Jan Bols uit Lubbeek, Vlaanderen vastgelegd. Twee jaar later werd het opgenomen in de bundel Honderd oude Vlaamse liederen. Het lied is een variatie op De Zingende Schaare-Slyper dat in 1783 werd gepubliceerd in het liedboek van de Vino Caser in Amsterdam.[1] De Vino Caser was een loods, waar jongeren bij elkaar kwamen om onder het genot van een drankje liedjes te zingen en op een ontspannen manier een mogelijke huwelijkspartner te ontmoeten. In dezelfde periode werd het lied ook gepubliceerd in Het Nieuw Vermakelyke Dans-School, een liedboek uit Rotterdam. Vermoedelijk is het lied nog veel ouder en afgeleid van de Vermakelyke Samenspraek, tusschen den jongen Slyper Jaco, en juffrouw de vermaerde Naeister Bello, dat in hetzelfde Rotterdamse liedboek is vermeld[1].

Het lied[bewerken]

1. Komt vrienden in het ronde
Minnaars van enen stiel!
Ik zal u gaan verkonden
Hoe ik door 't slijperswiel
De kost verdien voor vrouw en kind
Schoon blootgesteld aan weer en wind

(Refrein)
Terlierelom terla!
Van linksom rechtsom draait mijne steen
Door het roeren van mijn been
Ju ju ju ju ju ju ju ju!

2. De smid die moet hard werken,
Gestadig voor het vier,
Hij durft zich niet versterken,
Met ene kan goed bier,
Terwijl ik ga op mijn gemak,
Soms ook wel met een lege zak.

(Refrein)

3. De schoenpik stijf gezeten,
Op enen pikkelstoel,
Mag kees en droog bier eten,
Maar als ik nood gevoel,
Dan slijp ik tot den avond toe,
En zo heb ik nooit arremoe.

(Refrein)

4. De kleerfrik maakt ons kleren,
Voor acht stuivers per dag,
Wil hij zijn loon vermeren,
Hij snijdt meer dan hij mag,
Maar ik op mijne slijpersteen,
Ik win meer op een uur alleen.

(Refrein)

5. De maalder moet gaan malen,
Tot in het fijnste meel,
Hij moet dubbel betalen,
Voor zijn droge keel,
Maar ik, door ijver en door vlijt,
Ik win mijn brood in eerlijkheid.

(Refrein)

6. Mijn vrouw die roept victoria,
Over het slijpersstiel,
Zij vindt de grootste gloria,
In 't draaien van mijn wiel,
Mijn kind'ren hebben geen ongemak,
Zij lopen met de bedelzak!

(Refrein)

7. Sa, vrienden, voor het leste,
All' ambachten zijn goed,
Maar mijn is toch het beste,
Schoon ik soms slapen moet,
Op hooi en strooi in ene stal,
Daar heb ik kost voor niemendal.