Kritik der reinen Vernunft

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Kritik der reinen Vernunft (Kritiek van de zuivere rede) is het eerste grote werk van de Duitse filosoof Immanuel Kant. Hij schreef het op 57-jarige leeftijd in 1781. Met de Kritik der reinen Vernunft wilde Kant de grote filosofische tegenstelling uit zijn tijd te boven komen: aan de ene kant de empiristen zoals Hume en aan de andere kant de rationalisten zoals Descartes. Verder wilde hij verklaren hoe Newton onveranderlijke natuurwetten uit veranderlijke waarnemingen wist af te leiden. Hume had aangetoond dat dat niet kon.

Opbouw[bewerken]

De Kritiek van de zuivere rede valt uiteen in twee delen: de transcendentale basisleer, het hoofddeel, en de veel kortere methodeleer. De basisleer valt uiteen in drie delen, de esthetica – veruit de kortste van de drie –, de analytica en de dialectiek. De analytica en de dialectiek vormen samen de transcendentale logica maar hebben geen gemeenschappelijke inhoud.

Schematische voorstelling van de structuur van de Kritik der reinen Vernunft.png

In de esthetica behandelt Kant ruimte en tijd. Deze zijn, volgens Kant, de vormen waarin al onze waarneming plaatsvindt. Tijd en ruimte zijn vormen van onze zintuigelijkheid.

Nadat Kant de zintuigelijkheid in de esthetica behandeld heeft, onderzoekt Kant in de analytica het verstand.

In de dialectiek worden voornamelijk oude filosofische ideeën weerlegd. Kant betoogt dat onze kennis nooit de ervaring kan overstijgen. Bewijzen voor het bestaan van God en de onsterfelijkheid van de ziel worden uitgebreid weerlegd.

Inhoud[bewerken]

Centraal in Kants filosofie staat dat alle kennis afhangt van twee zaken: de waarneming van de wereld en het verstand dat los van die wereld staat. Dankzij het verstand zijn waarnemingen pas mogelijk, omdat het verstand vormgeeft aan de waarneming. Zonder deze vormgevende verstandsvormen geen waarneming, want vormeloos. Echter geldt ook: zonder waarnemingen zijn de vormen leeg.

Deze twee verstandsvormen zijn: ruimte en tijd. Dit wil zeggen: we zien ruimte en tijd omdat we dankzij ons verstand op die manier waarnemen. De verstandsvormen zijn onveranderlijk en gaan vooraf aan de waarneming (a priori). De waarnemingen zijn daarentegen veranderlijk. Het feit dat volgens Kant het waargenomene - het object - zich richt naar het kenvermogen van de waarnemer - het subject - , wordt ook een Copernicaanse revolutie of wending genoemd.

Titelblad van de uitgave uit 1781

Wij kunnen alleen dingen kennen zoals het verstand ze modelleert. Buiten het verstand bevinden zich de dingen zoals ze op zichzelf zijn. Kant spreekt in dit verband over het "Ding an sich" (hij gebruikt ook het meervoud "Dinge an sich"). Het Ding an sich is echter niet kenbaar.

Wat we denken van de wereld is vervat in begrippen gebaseerd op genoemde voorgevormde waarnemingen. Doch we kennen ook begrippen die niet in de wereld voorkomen, zoals een eenhoorn. Kant wilde weten welke begrippen wel en welke niet op die wereld gebaseerd zijn. Waar ligt daar de grens, of in zijn woorden de kritiek? Zo wil hij filosoferen over niet-bestaande zaken voorkomen. Alle begrippen nagaan kost te veel tijd en daarom wilde hij de grondstructuur van die 'bestaande' begrippen weten. Gemodelleerd volgens de verstandsvormen worden de waarnemingen door het verstand omgevormd tot begrippen. Dit gebeurt aan de hand van zogenaamde zuivere, want a priori verstandsbegrippen. Deze worden categorieën genoemd. Daar zijn er twaalf van, verdeeld over vier types: kwantiteit, kwaliteit, relatie en modaliteit. Een categorie is bijvoorbeeld oorzakelijkheid. Dat Newton en wij de zwaartekracht als oorzaak van de val kunnen zien, is dus aan deze categorieën te danken.

Een andere categorie is 'substantie en accidentie'. Deze maakt dat we de wereld zien alsof ze bestaat uit dingen met eigenschappen. Kants filosofie werkt zo de relatie subject en object in een subject-objectscheiding verder uit. Hij is hierin geen idealist, die zoals Berkeley veronderstelt dat we de werkelijkheid met ons verstand produceren (zodat er geen objecten gebaseerd op Dingen an sich zijn). Ook zijn wij geen verstandsloze waarnemers die nooit dingen, maar alleen waarnemingen waarnemen. Wij zien inderdaad een rode bal en niet een rond, rood vlak dat rond blijft als ik zie dat alles om mij heen draait en ik voel dat ik eromheen loop. Wij transcenderen dus onze veranderlijke waarnemingen en zien een onveranderlijk Ding an sich, waarover we dankzij de verstandsvormen en de categorieën ware uitspraken kunnen vormen. We zien bijvoorbeeld dankzij de categorie `substantie en accidentie` concrete dingen en niet veranderende waarnemingen. Kants kentheorie is hiermee een vorm van een transcendentaal idealisme.

Kant is hiermee nog niet klaar. De concreetheid van het waargenomen ding is namelijk te danken aan de eenheid waaronder de waarnemingen bijeengehouden worden. Deze eenheid van het object is volgens hem alleen mogelijk als er tegelijkertijd een eenheid van het subject is, waaraan die eenheid van het object te danken is. Deze eenheid wordt gevormd door het Ik, dat wederom niet waarneembaar is, maar voorondersteld wordt.

'Antinomie van de rede': Hiermee toont Kant aan dat men met de zuivere rede als analytisch en/of synthetisch instrument niet in staat is om zonder tegenstrijdigheden over de dingen te denken. Over het "Ding an sich" is dus niets te zeggen (door ons). Middels antinomieën van de rede probeert hij ook aan te geven welke uitspraken niet en welke wel op basis van waarnemingen te maken zijn. Zo probeert hij onzinnige onderwerpen uit filosofie en wetenschap te bannen. Hij zoekt dus naar de grens, in zijn woorden de kritiek, van de zuivere rede.

Aanhalingsteken openen

Er kan geen twijfel over bestaan dat al onze kennis begint met ervaring. Want hoe zou het kenvermogen tot activiteit kunnen worden gewekt, als dat niet gebeurde doordat objecten onze zintuigen beroeren, en zo voor een deel vanzelf voorstellingen teweegbrengen, voor een deel de werkzaamheden van ons verstand aanzetten die voorstellingen te vergelijken, te verbinden of te scheiden, om zo het ruwe materiaal van zintuiglijke indrukken te verwerken tot de kennis van objecten die ervaring heet?

Aanhalingsteken sluiten
— Immanuel Kant, "Kritiek van de zuivere rede", B1,10, 1787

Zie ook[bewerken]