Ding an sich

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Immanuel Kant.

Het Ding an sich is het ding zoals het op zichzelf bestaat, zoals het in wezen is. Dit filosofische begrip werd bedacht door de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804), die het uitwerkte in zijn Kritik der reinen Vernunft. Volgens Kant kan de mens de werkelijkheid zoals ze is (de Dinge an sich) niet kennen.

Algemeen[bewerken]

Wat de mens over de werkelijkheid meent te kennen, is volledig afhankelijk van zijn waarnemingen en hoe hij deze waarnemingen interpreteert. Nu kan de mens, zo zegt Kant, niet anders dan met in het bewustzijn a priori aanwezige structuren werken. Kant noemt deze 'waarnemingsvormen' en 'categorieën.' Dit komt er dus op neer dat wat de mens kent gekleurd is door zijn kenvermogen. Het is een beetje te vergelijken met wat de bolle ogen van een kikker doorgeven als zijnde 'de werkelijkheid'. Voor die kikker bestaat de wereld uit ronde vormen, een resultaat van de structuur van zijn ogen. Wat Kant bedoelt is dat het voor een mens onmogelijk is om tijd, ruimte en causaliteit buiten de waarneming te houden, vermits dit de 'a priori' structuren zijn die onze waarneming vormen en kleuren. Het Ding an sich kan dus nooit aan ons verschijnen zoals het werkelijk is.

Kant stelde dat we een onderscheid moeten maken tussen de echte "noumenale" werkelijkheid van dingen zoals ze op zichzelf bestaan, het Ding an sich, en anderzijds fenomenen (phainomena). De "fenomenale" werkelijkheid is de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet. Dit is de enige werkelijkheid waarover we ons gefundeerd kunnen uitspreken, omdat de kenvormen, inherent aan onze geest, het ons eerst mogelijk maken over iets te redeneren en te oordelen. Buiten de grenzen van ons kenvermogen zijn we simpelweg niet bij machte te spreken. Als men toch gaat redeneren of oordelen over Dinge an sich in plaats van over ervaringsinhouden, veroorzaakt men fatale contradicties (antinomieën in Kants vocabulaire). Een voorbeeld van zo'n oordeel zou zijn: "God is de oorzaak van alles" of "Op die tafel liggen echt honderd daalders". Zo'n uitspraak is volgens Kant tegenstrijdig want we willen iets beweren over God of daalders zelve, maar kunnen het slechts hebben over God of daalders zoals we die ervaren en dat is simpelweg niet hetzelfde! Als we willen spreken over iets wat geen ervaringsinhoud is, holt het verstand zijn eigen grenzen voorbij.

Kant stelde dat een Ding an sich principieel niet kenbaar is omdat het zich noodzakelijkerwijs onttrekt aan de structuur van ieder kenapparaat. In de sfeer van het Ding an sich gaat niet een nog te ontdekken wereld van informatie over hoe onze werkelijkheid eigenlijk is schuil (bijvoorbeeld door de verbetering van onze zintuigen), een misvatting die men nog veelvuldig aantreft.

Kritiek[bewerken]

Kants theorie riep onmiddellijk na publicatie bij andere filosofen de vraag op hoe het toch mogelijk is dat het onmogelijk is over het Ding an sich te spreken terwijl Kant zelf in zijn boek niet anders doet. Een belangrijk deel van de filosofie na Kant is aan dit vraagstuk gewijd. Bekende oplossingen zijn:

  • Idealisme: er bestaat helemaal geen Ding an sich. De werkelijkheid bestaat niet op zichzelf maar altijd in relatie tot een bepaalde echte of mogelijke ervaring. Het noumenale en fenomenale vallen dus samen. Dit was de positie van Fichte en Hegel en de dominante leer in de Europese filosofie tot de Eerste Wereldoorlog.
  • Materialisme: het begrip Ding an sich is alleen relevant binnen een tegenstelling tussen "bewustzijn" en materie. Aangezien er geen echt "bewustzijn" bestaat maar alleen een reductionistisch te herleiden materiële oorzaak van het feit dat mensen de "illusie" hebben, of zich "vergissen", dat het wél bestaat, is het hele probleem een schijnprobleem. Ervaring is een fysiek proces en de specifieke relatie tussen het kenapparaat en de materiële objecten is toegankelijk voor wetenschappelijk onderzoek, zelf ook een fysiek proces waarvan het oordeel niet verder filosofisch gerechtvaardigd hoeft te worden, daar echte rechtvaardiging géén fysiek proces is en dus niet bestaat.
  • Antifilosofie: de opvatting dat metafysische vraagstukken betekenisloos zijn. De vraag of Kant eigenlijk wel gelijk had, is precies zo een metafysisch vraagstuk en dus betekenisloos. Die vraag kan dus verwaarloosd worden.

Zie ook[bewerken]