Maria Antonia van Beieren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Portret van Maria Antonia van Beieren door Anton Raphael Mengs, 1752.

Maria Antonia Walpurgis Symphorosa van Beieren (München, 18 juli 1724Dresden, 23 april 1780) was van oktober tot december 1763 keurvorstin en van 1763 tot 1768 regentes van Saksen. Ze behoorde tot het Huis Wittelsbach. Daarnaast was ze actief als mecenas, componiste, operazangeres en schilderes.

Levensloop[bewerken | brontekst bewerken]

Maria Antonia was de tweede dochter van keurvorst Karel Albrecht van Beieren, van 1742 tot 1745 onder de naam Karel VII tevens keizer van het Heilige Roomse Rijk, uit diens huwelijk met Maria Amalia van Oostenrijk, dochter van keizer Jozef I van het Heilige Roomse Rijk. Als oudste dochter die haar jeugd overleefde was ze een begeerde prinses, waardoor ze een opvoeding kreeg die bij haar stand paste. Zo leerde ze schilderen, poëzie en het bespelen van instrumenten.

Op 29 juni 1747 huwde ze in Dresden met keurprins Frederik Christiaan van Saksen (1722-1763), haar neef in de eerste graad. Tijdens de Zevenjarige Oorlog moest het echtpaar in 1759 wegvluchten voor de Pruisen, waarna ze enkele jaren in Praag en München woonden. In oktober 1763 volgde Frederik Christiaan zijn vader Frederik August II op als keurvorst van Saksen. Na een bewind van tien weken overleed hij in december 1763 echter aan de pokken. Aangezien de oudste zoon van Frederik Christiaan en Maria Antonia, Frederik August III, nog minderjarig was, regeerde Maria Antonia tot 1768 als regent over het keurvorstendom Saksen, samen met haar schoonbroer Frans Xavier van Saksen. In 1765 gaf Frans Xavier namens zijn neef de rechten op de Poolse troon op, wat op zware tegenstand van Maria Antonia stuitte, gezien het prestigeverlies wat dit veroorzaakte.

Maria Antonia was tevens actief als onderneemster. In 1763 stichtte ze nabij Naundorf een katoenfabriek en vanaf 1766 bezat ze een Beierse brouwerij in Dresden. Ook was ze lid van de Orde van de Slavinnen van de Deugd, in wiens ordegewaad ze werd begraven. Aan het einde van haar leven schreef ze een verhandeling over het omgaan met de dood: Von der Befestigung des Gemütes gegen die Schrecken des Todes.

Ze overleed in april 1780 op 55-jarige leeftijd en werd bijgezet in de Katholische Hofkirche van Dresden.

Maria Antonia als kunstenares[bewerken | brontekst bewerken]

Haar ouders vierden de geboorte van Maria Antonia met de opvoering van de opera Amadis de Grecia van Pietro Torri. In haar jeugd kreeg ze muzieklessen van de gerenommeerde operacomponisten Giovanni Battista Ferrandini en Nicola Porpora. Op haar huwelijksfeest weerklonken de opera's Le nozze d'Ercole et d'Ebe van Christoph Willibald Gluck en La Spartana van Johann Adolf Hasse. In Dresden zette ze haar muziekopleiding voort bij Hasse en Porpora. Ze hield voornamelijk van het genre van de opera seria en bij de opvoering van haar eigen werken aan het hof trad ze op als zangeres en cimbeliste. In 1747 werd Maria Antonia bovendien opgenomen in de Accademia dell'Arcadia in Rome, een internationale literaire academie en instelling voor de hervorming van de opera.

Ze was de mecenas van verschillende kunstenaars en wetenschappers, maar ook van kapelmeester Johann Gottlieb Naumann en de schildersfamilie Mengs.

Nakomelingen[bewerken | brontekst bewerken]

Maria Antonia en haar echtgenoot Frederik Christiaan kregen negen kinderen: