Meierrecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Meierrecht is het in de 12e en 13e eeuw in het heilige Roomse Rijk ontstane recht een hoeve voor meerdere jaren tegen een vast bedrag te pachten.

Oorsprong[bewerken]

Voordat Saksen door Karel de grote in het Frankische rijk werd opgenomen waren de Saksische boeren vrije wehrbauer[bron?]. Vanwege de verplichtingen aan hun nieuwe Frankische heren was vrijwel iedere boer in de 11e eeuw onvrije of horige van de leenheerlijke adel of van een klooster. Deze leenheren (grootgrondbezitters) verleenden de aan hen verplichtte ministerialiteit het recht om de boeren naar Meierrecht een langdurige pacht te laten aannemen.

Pacht[bewerken]

Tot aan het eind van de vijftiende eeuw was een mondelinge verklaring voldoende. De formulering was 'Truw und holt zu sein' (trouw en toegewijd te zijn). In 1492 werd de Meierbrief voor het eerst geschreven. de pachtboer verplichtte zich (schriftelijk) om de hoeve niet aan derden te verpanden, en een vastgesteld jaarlijks (pacht)bedrag te betalen. De Meier ondertekende het contract met zijn huismerk en stond alleen het gebruiksrecht van de grond toe. De hoeve, het vee, de voorraden en zaden bleven eigendom van de Meier. Als de boer naar tevredenheid had gewerkt kon de Meier na aflopen van de pachtduur de pacht verlengen. Het kwam echter zelden voor dat een pacht van vader op zoon overging. Pas in de 16e eeuw ontwikkelde zich vanuit de tijdpacht een erfpacht.

Meierij[bewerken]

In vele dorpen zijn de namen van de Meierhoeves, Meierijen (Meierhöfe, Hausmannstellen) bewaard gebleven. Uit archieven blijkt dat de belastingen voor de boeren hoog waren, investeringen amper werden gedaan en de levensstandaard erg laag lag. Adel en kloosters hadden belang bij de deling van hoeves omdat twee nieuwe (halve) hoeves vaak meer opbracht dan een grote. Een Meier had vaak een extra dienst van de leenheer als vrederechter (boerenrechter, Bauerrichter of schulte (schout, Bauerschulz) in zijn gebied en was Eigenerfde (Erbgesessene). Zodoende moest hij slechts belasting in geld of goederen aan zijn leenheer voldoen. De belasting voor de boeren was echter vele malen groter. Een grote last voor alle boeren waren de tienden (belasting op alle soorten oogst en in geld). Veel boeren konden zich in de loop van de tijd vrij kopen van deze verplichting en werden dan vrijboer (freibauer, Selbstbauer, Erbexe) genoemd. Onvrije boeren mochten niet zonder toestemming hun woongebied verlaten, ze moesten toestemming vragen om te huwen, te erven en te vererven. Een of twee dagen per week moest de boer herendienst volbrengen. Indien de boer niet aan zijn verplichtingen voldeed werd hij 'afgemeierd' zodat de hoeve aan een nieuwe boer werd verpacht.