Milieueffectrapportage

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Koffer met de hoofdrapporten van de milieueffectrapportage Maasvlakte 2

Milieueffectrapportage (afkorting m.e.r.) behelst het in beeld brengen van de milieugevolgen van een besluit voordat het besluit wordt genomen. De onderzoeksresultaten worden gepubliceerd in het milieueffectrapport (MER). Een MER wordt opgesteld bij activiteiten en projecten die mogelijk belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Dit kan variëren van een vergunning die aangevraagd wordt voor de bouw van een chemische fabriek tot de aanleg van infrastructuur zoals een hogesnelheidslijn of de uitbreiding van een luchthaven. De overheid die het besluit moet nemen of de vergunning moet verlenen gebruikt het MER bij haar afwegingen.

Milieueffectrapport[bewerken]

Voordat de overheid een besluit neemt, moet degene die een project wil ondernemen (de initiatiefnemer) alle milieueffecten van het project beschrijven in een openbaar document, het milieueffectrapport, afgekort met MER. In dit rapport moeten ook voor een aantal andere oplossingen (de alternatieven) de milieueffecten worden beschreven.

Op deze manier krijgen de projectondernemer, de overheid (het bevoegd gezag) die het besluit moet nemen en de burgers vooraf kennis over de gevolgen voor het milieu van het project en van de alternatieven.

Projecten waarvoor een m.e.r. verplicht is[bewerken]

In het algemeen geldt de milieueffectrapportageverplichting voor projecten en plannen die het milieu belangrijke schade kunnen berokkenen. Het "Besluit Milieueffectrapportage" benoemt alle activiteiten afzonderlijk. De verplichting geldt soms ook voor kleine ingrepen. Voorbeelden van m.e.r.-plichtige activiteiten:

Inhoud van het MER[bewerken]

De Wet milieubeheer stelt de eisen aan de inhoud van het milieueffectrapport. Deze hebben vooral betrekking op:

  • de voorgenomen activiteit, de alternatieven en de te nemen besluiten;
  • de milieugevolgen van de voorgenomen activiteit en alternatieven en de vergelijking daarvan. De gevolgen van de ingreep worden vergeleken met de "autonome ontwikkelingen", dat is de situatie in de toekomst zonder de ingreep.

Voorgenomen activiteit[bewerken]

De opsteller van het milieueffectrapport moet aangeven welk project hij wil gaan ondernemen (voorgenomen activiteit). Belangrijkste onderdeel van het rapport is het hoofdstuk over de alternatieven van de voorgenomen activiteit. Het vergelijken van alternatieven op hun milieugevolgen is eigenlijk de kern van m.e.r. Het rapport moet ook aangeven binnen welk wettelijk kader de voorgenomen activiteit valt (genomen en te nemen besluiten).

Milieugevolgen en alternatieven[bewerken]

In het MER worden de milieugevolgen van de verschillende alternatieven met elkaar vergeleken. Hiervoor wordt eerst de huidige situatie in beeld gebracht (referentiesituatie). Vaak ligt al vast dat de huidige situatie gaat veranderen, omdat over bepaalde zaken al besloten is of activiteiten al in uitvoering zijn. Dit worden "autonome" ontwikkelingen genoemd (want onafhankelijk van de voorgenomen activiteit). Een manier om de alternatieven te vergelijken is met behulp van multicriteria-analyse.

Leemten in kennis[bewerken]

De gegevens in het rapport moeten juist en controleerbaar zijn. Niet in alle gevallen is er voldoende kennis over bijvoorbeeld milieugevolgen op langere termijn of samenloop van diverse milieueffecten. De initiatiefnemer moet deze zogenaamde leemten in kennis apart vermelden, voor zover ze relevant kunnen zijn voor de besluitvorming.

Procedure voor het opstellen van een MER[bewerken]

Per 1 juli 2010 zijn er twee m.e.r.-procedures: de beperkte en de uitgebreide procedure. Welke procedure doorlopen moet worden, hangt af van het besluit dat wordt genomen of de vergunning die moet worden verleend. De uitgebreide procedure geldt voor:

  • (Ruimtelijke) plannen;
  • Besluiten waarvoor de overheid zowel initiatiefnemer als bevoegd gezag is, zoals de ruimtelijke besluiten voor uitbreiding van luchthavens, wegen en andere infrastructurele werken of woningbouw;
  • Sommige vergunningen zoals die op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de goedkeuring van een dijkversterkingsplan en het peilbesluit op grond van de Waterwet;
  • Projecten die op het eerste gezicht onder de beperkte procedure vallen, maar waarvoor een passende beoordeling gemaakt moet worden.

De beperkte procedure is van toepassing op bijvoorbeeld de volgende vergunningen:

  • Milieuvergunning (na inwerkingtreding van de Wabo onderdeel van de omgevingsvergunning);
  • Mijnbouwwetvergunning (na inwerkingtreding van de Wabo onderdeel van de omgevingsvergunning);
  • Ontgrondingenvergunning;
  • Vergunning Kernenergiewet;
  • Sommige Waterwetvergunningen (zoals de oude grondwatervergunning).

Let op: wanneer voor deze vergunningen een Passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 gemaakt moet worden, geldt de uitgebreide procedure.

Uitgebreide procedure[bewerken]

Fase 1: voorbereidende fase[bewerken]

Schriftelijke mededeling van het voornemen door de initiatiefnemer bij het bevoegd gezag (overheid). Hierbij kan een document zoals een startnotitie of kennisgeving worden gevoegd. Het bevoegd gezag maakt de aanmelding (en eventuele) startnotitie bekend door advertenties in de plaatselijke bladen en bijvoorbeeld de Staatscourant. De advertentie vermeldt ook:

Het bevoegd gezag raadpleegt betrokken overheden en de wettelijk adviseurs (ministeries van VROM, LNV en OCW) over de reikwijdte en het detailniveau van het MER. Het bevoegd gezag mag ook de Commissie voor de m.e.r. hierover raadplegen. Dit is niet verplicht in de voorbereidingsfase.

Na de raadpleging geeft het bevoegd gezag de initiatiefnemer advies over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER. Dit moet binnen zes weken nadat de mededeling is ontvangen.

Fase 2: opstellen van het milieueffectrapport[bewerken]

De initiatiefnemer stelt het MER op, of laat dit doen door een adviesbureau. Voor het opstellen van het rapport is geen wettelijke termijn gesteld. Dat kan variëren van enkele maanden tot een jaar, afhankelijk van het project.

Fase 3: toetsing milieueffectrapport en besluitvorming[bewerken]

De initiatiefnemer dient het gereedgekomen MER met de vergunningaanvraag in bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag maakt het rapport en de vergunningaanvraag of (voor-)ontwerpbesluit openbaar en legt beide ter inzage. Iedereen kan zienswijzen indienen over het MER en de aanvraag of (voor-)ontwerpbesluit. De termijn is doorgaans zes weken, maar volgt de termijn van bedenkingen van de procedure voor het besluit. Het bevoegd gezag vraagt ook de Commissie voor de m.e.r. en de wettelijk adviseurs om advies over volledigheid en juistheid het MER. Deze brengen binnen dezelfde termijn advies uit. Vervolgens neemt het bevoegd gezag de gevraagde beslissing waarvoor het MER is opgesteld. Het besluit en de motivering zijn openbaar. Het bevoegd gezag geeft bij het besluit aan:

  • hoe rekening is gehouden met de in het MER beschreven milieugevolgen;
  • wat is overwogen over de in het MER beschreven alternatieven, over de zienswijzen en over het advies van de Commissie voor de m.e.r.;
  • hoe burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het plan zijn betrokken;
  • hoe en wanneer er geëvalueerd wordt.

Het besluit wordt bekendgemaakt. De bekendmaking vindt in principe plaats op de manier zoals dat in de wet staat op grond waarvan het besluit wordt genomen. Ook wordt het besluit medegedeeld aan de adviseurs, de overheidsorganen die bij het besluit zijn betrokken en degenen die zienswijzen hebben ingediend.

Fase 4: evaluatie[bewerken]

Het bevoegd gezag moet ook een zogenaamd evaluatieprogramma vaststellen. In dat programma is aangegeven op welke manier de daadwerkelijk optredende gevolgen worden onderzocht en vergeleken met de in het MER voorspelde gevolgen. Het verslag van het evaluatieonderzoek is openbaar. Het bevoegd gezag neemt zo nodig aanvullende maatregelen om de gevolgen voor het milieu te beperken.

Beperkte procedure[bewerken]

Fase 1: voorbereidende fase[bewerken]

In de beperkte procedure is de voorbereidende fase niet verplicht. De initiatiefnemer moet wel het m.e.r.-plichtige voornemen aan het bevoegd gezag mededelen, maar er is geen verplichte openbare kennisgeving, terinzagelegging of mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Het bevoegd gezag is niet verplicht om de Commissie voor de m.e.r. te raadplegen of om de initiatiefnemer te adviseren over reikwijdte en detailniveau van het MER. Dit mag wel en bij omstreden projecten kiezen de initiatiefnemer en/of bevoegd gezag er regelmatig voor om toch een voorbereidingsfase te doorlopen.

Fase 2: opstellen van het milieueffectrapport[bewerken]

Deze fase is identiek aan de uitgebreide procedure.

Fase 3: toetsing milieueffectrapport en besluitvorming[bewerken]

De initiatiefnemer dient het gereedgekomen MER met de vergunningaanvraag in bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag maakt het rapport en de vergunningaanvraag of (voor-)ontwerpbesluit openbaar en legt beide ter inzage. Iedereen kan zienswijzen indienen over het MER en de aanvraag of (voor-)ontwerpbesluit. Het bevoegd gezag is in de beperkte procedure niet verplicht om een toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r. te vragen.

Vervolgens neemt het bevoegd gezag de gevraagde beslissing waarvoor het MER is opgesteld. Hiervoor gelden dezelfde voorschriften als in de uitgebreide procedure.

Fase 4: evaluatie[bewerken]

Deze fase is identiek aan de uitgebreide procedure.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Deze pagina of een oudere versie daarvan is gebaseerd op informatie afkomstig van de website van Postbus 51.