Momentmagnitudeschaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

De momentmagnitudeschaal (vaak afgekort tot MMS; ook genoteerd als , waarin w staat voor de verrichte arbeid) is een schaal die door seismologen wordt gebruikt om de kracht van aardbevingen te meten. De schaal meet deze kracht aan de hand van de vrijgekomen energie.[1] De magnitude is gebaseerd op het moment van de aardbeving, welke gelijk is aan de starheid van de aarde, vermenigvuldigd met de gemiddelde verzakking van de breuk en de omvang van het gebied dat is verzakt.[2]

De MMS is een logaritmische schaal; de kracht van een aardbeving neemt per punt op de schaal toe met een factor 31,6.

Ontwikkeling[bewerken]

De momentmagnitudeschaal () werd ontwikkeld in de jaren 70 van de 20e eeuw als opvolger van de schaal van Richter, . Hij werd geïntroduceerd in 1979 door de seismologen Thomas C. Hanks en Hiroo Kanamori, beiden werkzaam aan de Harvard-universiteit. Hun schaal was bedoeld om de tekortkomingen van de schaal van Richter te verhelpen, maar toch consequent te blijven. Hun schaal is gebaseerd op de fysieke omvang van een aardbeving, met name het seismisch moment (). Bij gemiddelde aardbevingen geeft de schaal dezelfde waarden aan als de schaal van Richter. De schaal kent echter geen maximumwaarde. De schaal is daarom bruikbaar voor zware aardbevingen.

Slordigheidshalve spreken nieuwsmedia, kranten e.d. ten onrechte nog steeds van de „schaal van Richter” terwijl ze in feite de momentmagnitudeschaal bedoelen.

De volgende tabel vergelijkt de schaal van Richter () en de momentmagnitudeschaal voor enkele grote aardbevingen in Californië.

Datum Seismisch moment Schaal van Richter Momentmagnitude
1933-03-11 2 6,3 6,2
1940-05-19 30 6,4 7,0
1941-07-01 0,9 5,9 6,0
1942-10-21 9 6,5 6,6
1946-03-15 1 6,3 6,0
1947-04-10 7 6,2 6,5
1948-12-04 1 6,5 6,0
1952-07-21 200 7,2 7,5
1954-03-19 4 6,2 6,4

Berekening[bewerken]

Het symbool voor de momentmagnitudeschaal is , met het subscript w voor de verrichte arbeid. Het momentmagnitude is een dimensieloos getal gedefinieerd door

waarin staat voor het seismisch moment in Newtonmeters. De constante waardes in de berekening zijn gekozen om te zorgen dat de berekening consistent is aan de waardes gemeten met eerdere schalen, vooral de schaal van Richter.

De oorspronkelijke definitie is gegeven in cgs (centimeter-gram-seconden) eenheden, en is dan

waarin dan staat voor het seismisch moment in dynecentimeters.

Net als bij de schaal van Richter, betekent een verhoging van 1 op deze logaritmische schaal een toename van 101,5 = 31,6 keer de kracht van de vrijgekomen energie bij een aardbeving, en een verhoging van 2 een toename van 103 = 1000 keer.

Schalen voor de omvang van aardbevingen[bewerken]

De omvang van aardbevingen kan worden aangegeven met de magnitude of met intensiteit. De magnitude geeft aan hoeveel energie er bij de aardbeving vrij kwam. Dat geeft aanwijzingen over de processen die zich in de aardbodem afspelen. De magnitude is onafhankelijk van de plaats op aarde waar deze wordt berekend.

De intensiteit van de aardbeving geeft wat de uitwerking op het aardoppervlak is. Het geeft aanwijzingen over de gevolgen die de aardbeving heeft op het aardoppervlak. De intensiteit van een beving is afhankelijk van de plaats van waarneming. Een aardbeving op grote diepte geeft een minder grote intensiteit aan het aardoppervlak dan een minder grote diepte. De intensiteit is ook afhankelijk van de grondsoort, onderlagen, type verplaatsing en de afstand tot het epicentrum.[3]

Voorbeelden van schalen voor de magnitude zijn:

  • De schaal van Richter
  • De momentmagnitudeschaal. Dit is een verdere ontwikkeling van de schaal van Richter.

Voorbeelden van schalen voor de intensiteit zijn:

Externe link[bewerken]