Nederlands (naamsgeschiedenis)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Nederlands (naam))
Ga naar: navigatie, zoeken
Vraagteken
Er wordt getwijfeld aan de juistheid van een of meer onderdelen van dit artikel.
Raadpleeg de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie, en pas na controle desgewenst het artikel aan.
Opgegeven reden: Artikel maakt hoofdzakelijk en selectief gebruik van twee verouderde Duitse bronnen uit de jaren 60 en 70, en mist huidige inzichten van de Nederlandse historische taalkunde
Dit sjabloon is geplaatst op 10 maart 2016.
Vraagteken

De taal die tegenwoordig met Nederlands wordt aangeduid, heeft in de loop van de eeuwen verschillende namen gehad, zoals:

  • Nederlands
  • Nederduits
  • Diets, Duits
  • Hollands
  • Vlaams
  • Hoogafrikaans

Þeudisk en theodiscus[bewerken]

De oudste bekende naam voor het Nederlands is het bijvoeglijk naamwoord þeudisk. Dit woord is nergens schriftelijk opgetekend maar er bestaat een Latijnse vorm van het woord: theodiscus. Men neemt aan dat deze benaming in de 6e eeuw in het Westfrankische gebied aan de bovenloop van de Schelde of in de 8e eeuw aan het hof van de Karolingers is ontstaan. De laatste aan ons bekende tekst waarin de Latijnse vorm wordt gebruikt, is de Vita Sancti Trudonis.[1]

Het bijvoeglijk naamwoord þeudisk is afgeleid van het Germaanse woord þeudô-, dat "volk" betekent. Þeudisk betekent dus "volks" zoals in "volkstaal". Het Oudhoogduitse diu diutisca zunga en het Latijnse theodisca lingua betekenen niet "Duitse taal" maar "volkstaal", in tegenstelling tot de taal van de geleerden, het Latijn. Þeudisk betekende dus niet alleen "Nederlands" - het had een zeer ruime (en vage) betekenis. [2]

  • De letter þ wordt om technische redenen ook als th weergegeven en ongeveer uitgesproken als de Engelse th (zie ook: Þ).
  • De eu in þeudisk was een tweeklank en werd ongeveer "e-oe" uitgesproken.

Latijnse alternatieven[bewerken]

Later noemde men het Nederlands en het Duits in het Latijn teutonicus en germanicus.[1]

Þeudisk in de volkstaal[bewerken]

In het Nederlands ontstonden uit het oude þeudisk of uit het Latijnse theodiscus de Middelnederlandse varianten duutsc en dietsc. Dietsc is de westelijke vorm en duutsc de oostelijke en noordoostelijke. In het Duitse Rijnland gebruikte men de vorm diutesch, in het Middelnederduits düdesch (zie ook: Diets).[1]

Het Oudfranse Thiois is eveneens een voortzetting van þeudisk. Thiois noemde men de Germaanstalige inwoners van Vlaanderen, Brabant en Limburg, en soms ook die van Holland en Zeeland.[1]

De namen dietsc en duutsc betekenden niet "Duits" maar verwezen naar de taalvarianten (taalfamilie) die nu als "Continentaalwestgermaans" worden aangeduid. Dat wil zeggen ze sloegen zowel op het Nederlands als op het Duits (allebei in de huidige betekenis). Ze werden gebruikt als afbakening van de eigen taal tegenover de Romaanse talen, in het bijzonder tegenover het Frans.[3]

Er werd gepoogd aan te tonen dat er in het Middelnederlands een betekenisverschil was tussen dietsc en duutsc. Daarbij zou dietsc op het Nederlands slaan en duutsc op Hoogduits en Nederduits. Deze opvatting kon zich echter niet algemeen doorzetten.[1]

Dietsc en teutonicus verdwenen in het graafschap Vlaanderen in de loop van de 13e eeuw. In Vlaanderen werd de eigen taal nu vlaamsch genoemd. In Franse teksten uit Brabant vindt men nog thiois, in Franse teksten uit Vlaanderen daarentegen flamenc (in het moderne Frans flamand). De nieuwe benaming van de taal in Vlaanderen hangt zeker samen met de welvaart en het zelfbewustzijn van de Vlaamse steden in de 13e en 14e eeuw (met name Brugge, Gent en Ieper).[1]

In de overige delen van de Nederlanden bleef dietsc langer in gebruik. Maar tegen het einde van de 15e eeuw wordt dietsch door duitsch als naam voor de volkstaal verdrongen.[1]

Het Engelse woord Dutch met de betekenis "Nederlands" komt van "duutsc" of "duutsch".

Nederlands[bewerken]

Tegen het einde van de 15e eeuw verscheen het begrip Nederlands als naam voor de volkstaal van de Nederlanden en Noord-Duitsland. Daarbij lag de klem op het onderscheid tussen nederlantsch en overlantsch (in het Duits niderlendisch en oberlendisch). Oorspronkelijk had Nederlands dus de betekenis "Nederlands of Noord-Duits". [1]

De oudste geschreven tekst waarin Nederlands wordt genoemd, is een incunabel uit Gouda uit het jaar 1482 ("Drie blinde danssen").

"also wel ... overlantsche als nederlantsche tale ende sprake".

Een ander voorbeeld is een vertaling van het "Narrenschiff" uit Lübeck uit het jaar 1519:

"uth dem hochdutzschen in sassche efte nederlendesche sprake".[1][3]

De nieuwe onderscheiding tussen overlantsch en nederlantsch hing samen met de uitvinding van de boekdrukkunst. De drukkers moesten om economische redenen een taal gebruiken die door zoveel mensen als mogelijk verstaan werd. Daardoor werd men zich bewust van de taalverschillen tussen het Noorden en het Zuiden van het Nederlands-Duitse taalgebied.[1]

In de 15e eeuw veranderde de betekenis van Niderlant en Nederland. Het begrip omvatte nu een gebied dat van Vlaanderen en Brabant tot Kleef en Wezel in de thans Duitse noordelijke Nederrijn (untere Niederrhein) reikte.[1]

Dat Niderlant (enz.) nu een preciezere betekenis kreeg, had waarschijnlijk ook te maken met de politieke eenmaking van de gewesten op het gebied van het huidige Nederland en België. Deze gebieden waren eerst onder de Bourgondische kroon en dan onder de Habsburgse kroon verenigd. De gewesten van de Nederlanden waren dus al voor de officiële onafhankelijkheid (Vrede van Münster, 1648) een soort eenheid. Dit geheel werd vaak Niderlant of Nyderlande genoemd (de spelling is hier een beetje toevallig). Keizer Maximiliaan I noemde in zijn brieven zijn Nederlandse bezittingen Nyderlande of noz pays d'embas. Ook de kanselarij van keizer Karel V had het in 1515 over deze onze Nederlanden. In het Frans luidde de naam pays-bas of pays d'embas.[1]

De populariteit van de namen Nederlands en Nederlanden hangt waarschijnlijk ook samen met de onafhankelijkheidsstrijd in de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje. Deze gebeurtenis maakte de bevolking van de Habsburgse Lage Landen uniek en dat vroeg om een eigen en nauwkeurige benaming.[1]

Ook in het buitenland werden de Nederlanden in toenemende mate als een samenhangende eenheid opgevat. In Italië werden sinds ongeveer 1550 de Nederlandse onderdanen van de Spaanse koning met namen aangeduid die geen betrekking meer hadden tot hun gebied van herkomst. Men gebruikte onderscheidsloos de begrippen fiamminghi, flandri of Belgae ook als men niet-Vlamingen ermee bedoelde.[1]

Nederduits[bewerken]

In het midden van de 16e eeuw verscheen de naam Nederduits. Terwijl men in Noord-Duitsland de eigen taal nog sassisch of nederlendisch noemde, gebruikte men in de Nederlanden voor de eigen taal steeds vaker het begrip Nederduits. In Latijnse teksten uit de 16e eeuw vindt men Inferior Almania en Germania inferior als naam voor de Nederlanden. [1]

De vroegste vindplaats voor Nederduits is uit 1551. Een liedboek van Susato, Antwerpen 1551, "Het ierste musyck boexken mit vier partyen":

"liedekens in onser nederduytscher talen"

In de tweede helft van de 16e eeuw werden dus drie namen naast elkaar gebruikt:

  • Duits
  • Nederduits
  • Nederlands

In het midden van de 17e eeuw nam het gebruik van de naam Nederlands af, terwijl het gebruik van de naam Nederduits toenam. Dit heeft de volgende redenen:

Nederduits tegenwoordig[bewerken]

Tegenwoordig omvat het begrip Nederduits in taalwetenschappelijke teksten de dialecten van Noord-Duitsland. Het heeft dus dezelfde betekenis als het Engelse Low German. In dit geval fungeert de staatgrens als taalgrens ondanks het feit dat de Nederlands-Nederduitse taalgrens minder duidelijk te lokaliseren is. Er is in feite een dialectcontinuüm. [4]. De Nedersaksische dialecten die in het oosten van Nederland worden gesproken lopen over in de Nederduitse dialecten van Noord-Duitsland. Men zou deze Nedersaksische dialecten in Nederland daarom ook tot de Nederduitse taalfamilie (in de huidige betekenis) kunnen rekenen, maar dat is minder gebruikelijk, omdat ze door het Nederlands als daktaal overkoepeld worden.

19e eeuw[bewerken]

Nederland[bewerken]

De Nederlandse Grondwet van 1815 noemt het land Koninkrijk der Nederlanden. In de moderne taal heeft zich de naam Nederland doorgezet. De officiële naam van het land, Nederlanden, heeft ook het gebruik van het begrip Nederlands bevorderd. Een andere factor zal de Duitse taalwetenschap van de 19e eeuw zijn geweest, die het begrip Nederduits (Niederdeutsch) toepaste op de dialecten van Noord-Duitsland. Het begrip Nederduits was dus onprecies en dubbelzinnig. Het gebruik van het begrip Nederlands in plaats van Nederduits maakte dan duidelijk wat men bedoelde.[1]

België[bewerken]

In België bleef het begrip Nederduits veel langer in gebruik. Daar werd nog in het begin van de 20e eeuw een Nederduitsche Bloemlezing als schoolboek gebruikt. Nederlands als naam voor de Nederlandse taal werd door de Vlaamse Beweging en door sommige intellectuelen gepropageerd. In de volkstaal zei (en zegt) men daarentegen Vlaams.[1]

Vlaams[bewerken]

In de Romaanse talen[bewerken]

Het Franse woord flamenc (tegenwoordig flamand) had oorspronkelijk betrekking op het gebied Vlaanderen. Tegen het einde van de 15e eeuw kreeg het woord een ruimere betekenis. Flamenc sloeg sindsdien ook op de taal van Brabant en ten slotte ook wel op het Nederlands in het algemeen. Ook in de Zuid-Nederlandse volkstaal zette zich het Vlaams door.[1]

Zo verscheen er rond 1500 in Antwerpen een boek met de titel:

"Vocabulair pour apprendre Romain et flameng. Vocabulaer om te leerne Walsch ende Vlaemsch"

De Franse benaming heeft invloed uitgeoefend op andere Romaanse talen. Zo zei men in de 16e eeuw in Spanje Flandes voor de Nederlanden en flamenco voor de Nederlandse taal. In Italië gebruikte men in die tijd Fiandra voor de Nederlanden en fiammingo voor het Nederlands. De inwoners van de Nederlanden werden er fiamminghi of Belgae genoemd. Dit gold niet alleen voor de inwoners van het graafschap Vlaanderen, maar ook voor de overige inwoners van de Nederlanden, zelfs voor Walen.[1]

In België[bewerken]

In de Spaanse en Oostenrijke Lage Landen werd - vooral onder Franse invloed - Vlaams de vierde naam van de Nederlandse taal (naast Duits, Nederduits en Nederlands). Later werd Vlaams ook een topografisch begrip, namelijk de naam van het Nederlandstalige gebied van de Oostenrijkse Lage Landen. In het Belgische koninkrijk (vanaf 1830) werden Vlaams en flamand de gebruikelijke namen voor het Nederlands.[1] Zie ook: Vlaams

Hollands[bewerken]

Sinds het midden van de 17e eeuw doken begrippen als Hollandtsch (1650) en hollandtsche taal (1647) op. De Hollandse dialecten hebben een centrale rol gespeeld bij het ontstaan van het moderne Nederlands. Daarom werd het Hollandse dialect vaak met het Nederlands vereenzelvigd, en Nederland vaak Holland genoemd, in het bijzonder in de gesproken taal en in het buitenland. In de geschreven taal is dit onderscheid wel gebruikelijk.[1] Zie ook: Hollands (dialect)

Het gebruik van Vlaams en Hollands als benamingen voor het Nederlands heeft in het buitenland dan ook vaker tot verwarring gezorgd, zelfs bij taalwetenschappers.[1]

Zie ook[bewerken]

Portal.svg Portaal Nederlands

Bronnen[bewerken]

  1. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w G.A.R. de Smet, Die Bezeichnungen der niederländischen Sprache im Laufe ihrer Geschichte; in: Rheinische Vierteljahrsblätter 37 (1973), p. 315-327
  2. L.J. Pauwels, Moeilijkheden met de benaming van onze taal; in: Jacob Hoogteijling, Taalkunde in artikelen, tweede druk Groningen 1969, ISBN 90-01-40425-1, p. 436-451
  3. a b Luc de Grauwe, "also wel ... overlantsche als nederlantsche tale ende sprake". Zur späten Bifurkation Deutsch und Niederländisch im Sprachbewußtsein des Mittelalters und der Frühen Neuzeit; in: Lothar Jordan (red.), Niederländische Lyrik und ihre deutsche Rezeption in der Frühen Neuzeit, Wiesbaden 2003, ISBN 3-447-04705-4; p. 21-34; p. 24-25
  4. C.B. van Haeringen, Netherlandic Language Research, second edition Leiden 1960; p. 9