Ontslag van alle rechtsvervolging

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Ontslag van alle rechtsvervolging (ovar) betekent in het strafrecht dat de rechter besluit dat een verdachte niet veroordeeld kan worden, hoewel het ten laste gelegde strafbare feit wél bewezen is. Dit is dus iets anders dan vrijspraak, waarbij het ten laste gelegde feit níet bewezen is. Deze juridische nuance zal vanuit het oogpunt van de verdachte doorgaans weinig uitmaken: de strafvervolging is afgelopen en hij hoeft, omdat een inhoudelijke vraag is beantwoord, geen nieuwe vervolging te vrezen voor dit feit op grond van het ne bis in idem beginsel.

Ontslag van alle rechtsvervolging gebeurt als de verdachte het ten laste gelegde feit wel gepleegd heeft, maar:

  • dit feit niet strafbaar is, of
  • de dader niet strafbaar is

Voorbeelden:

  • Het wordt bewezen dat de verdachte iemand heeft doodgeslagen, maar hij kon niet anders, omdat dat de enige manier was waarop hij zich kon verweren tegen een aanval van de ander. (Dit heet noodweer). De dader is dan niet strafbaar vanwege een rechtvaardigheidsgrond.
  • Het wordt bewezen dat de verdachte iemand heeft doodgeslagen, maar de verdachte, die aan een ernstige psychose lijdt, dacht echt dat hij een marsmannetje aanviel. Ook in dit geval is de dader niet strafbaar. Wel kan de rechter een maatregel nemen, bijvoorbeeld iemand tbs opleggen.

Ontslag van alle rechtsvervolging kan ook toegepast worden als de rechter concludeert dat het gepleegde feit niet overeenkomt met een wettelijk omschrijving van enig strafbaar feit. Bijvoorbeeld:

  • Het wordt bewezen dat de verdachte geprobeerd heeft haar echtgenoot te vermoorden door hem met suikerklontjes te vergiftigen. Hoewel de opzet op het misdrijf aanwezig is, geldt het gebruik van suikerklontjes normaliter als een ondeugdelijk middel, waardoor niet gezegd kan worden dat dit een "poging tot doodslag" is.

Verder kan ontslag van alle rechtsvervolging toegepast worden als de rechter concludeert dat het gepleegde feit wel volgens nationale wetgeving overeenkomt met een wettelijk omschrijving van enig strafbaar feit, echter op grond van supranationale wetgeving, bijvoorbeeld Europese, niet strafbaar is. Bijvoorbeeld:

  • Het wordt bewezen dat de verdachte met een rijbewijs, afgegeven in een lidstaat van de Europese Unie, op de Nederlandse weg reed, hoewel verdachte al enige tijd ingezeten is in Nederland en daarom geacht wordt, zijn rijbewijs in te wisselen voor een Nederlands rijbewijs. Volgens EG-Verdrag, art. 52 mogen lidstaten echter geen onevenredige sancties opleggen voor het niet nakomen van de verplichting tot omzetting dan wel registratie.[1]

Nederlandse situatie[bewerken]

Zie voor Nederlands recht artikel 352 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.