Orgel van de Grote Kerk in Apeldoorn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het Bätz Witte-orgel in de Grote Kerk

Het orgel van de Grote Kerk (Apeldoorn) werd gebouwd tussen 1894 en 1896 door Johan Frederik Witte, de eigenaar van de Utrechtse orgelbouwersfirma Bätz & Co. Op Eerste Kerstdag 1896 werd het in gebruik genomen. De orgelkas heeft dezelfde neorenaissancestijl als het kerkgebouw. Opvallend is dat het torentje boven op de kansel, die voor het orgel staat, vrijwel identiek is aan het torentje midden boven op het orgel. Het oorspronkelijk 30 stemmen tellende orgel werd in 1977 uitgebreid met een derde manuaal, onder het hoofdwerk, waarop 12 stemmen zijn geplaatst.[1] Deze stemmen zijn barok geïntoneerd ten opzichte van het meer romantische karakter van de rest van het orgel.

Hieronder volgt de dispositie:[2]

I Positief C-f’’’
Prestant 8'
Gedekt 8'
Octaaf 4'
Roerfluit 4'
Roerquint 3'
Octaaf 2'
Woudfluit 2'
Terts 1 3/5
Quint 1 1/3
Mixtuur 3-6
Scherp 3-4
Fagot 16'
Tremulant
II Hoofdwerk C-f’’’
Prestant 16'
Prestant 8'
Violon 8'
Roerfluit 8'
Quintadeen 8'
Octaaf 4'
Gemshoorn 4'
Quint 3'
Octaaf 2'
Mixtuur 3-4-5
Cornet (discant) V
Trompet 8'
III Zwelwerk C-f’’’
Salicet 8'
Viola 8'
Holfluit 8'
Gemshoorn 8'
Voix Céleste 8'
Salicet 4'
Fluit 4'
Nazard 3'
Flageolet 2'
Schalmei 8'
Dulciaan 8'
Tremulant
Pedaal C-d’
Prestant 16' (transmissie)
Open Subbas 16'
Octaaf 8'
Bourdon 8'
Quint 6'
Octaaf 4'
Bazuin 16'
Nevenregisters
II + I
II + III
P + I
P + II
Ventiel
Calcant

Speelhulpen: trede voor in-/uitschakelen quint 3', octaaf 2', cornet en mixtuur HW en zwelpedaal