Oude Rijn (Rijnwaarden)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Oude Rijn
Poldergemaal Oude Rijn
Poldergemaal Oude Rijn
Van Wild
Naar Pannerdensch Kanaal
Stroomt door Rijnwaarden en Zevenaar
De Oude Rijn en het Pannerdens Kanaal (hier Nieuwe Rijn geheten)
De Oude Rijn en het Pannerdens Kanaal (hier Nieuwe Rijn geheten)
Portaal  Portaalicoon   Geografie

De Oude Rijn in Rijnwaarden, Gelderland, is een oude loop van de Nederrijn bij Zevenaar. Het is de route die het Rijnwater volgde voor het gereedkomen van het Pannerdensch Kanaal in 1707.

Tegenwoordig is de verbinding tussen de Boven-Rijn en de Oude Rijn even ten oosten van Tolkamer afgedamd, zodat de Oude Rijn vrijwel geen water meer van de Rijn ontvangt. Het Rijnwater gaat nu via het Bijlandsch Kanaal en het Pannerdensch Kanaal richting de Waal en Nederrijn. De Oude Rijn ontvangt nu zijn water vooral van het riviertje de Wild.

De Oude Rijn is thans bekend als natuurgebied en geografische merkwaardigheid. In de omgeving van de Oude Rijn bevinden zich nog enkele (kleinere) Oude Rijnlopen. Samen vormen ze de zogenaamde Rijnstrangen. Het gebied maakt deel uit van de Gelderse Poort. Tegenwoordig is het een natuurgebied onder beheer van Waterschap Rijn en IJssel. De vogelsoorten roerdomp en bruine kiekendief komen er voor.[1]

De Rijnstrangen zijn ontstaan in de laatste ijstijd (Weichselien), veroorzaakt door het vele smeltwater dat van een gletsjer door een heuvelrug heen stroomde tussen het Montferland en de Veluwe. Sindsdien stroomde de Rijn vanuit Doesburg richting Westervoort. In de ijstijd stroomde de Rijn over een bevroren ondergrond en kon een zeer brede bedding vormen. In deze bedding zette de rivier grof zand en klei af. Omdat er nog geen vegetatie was kon de wind grip krijgen op deze afzettingen en ontstond er een gebied van dekzand en rivierduinen. Na de ijstijd nam plantengroei toe en de vlechtende rivieren veranderden in meanderende en insnijdende rivieren. De rivier bleef sedimenten afzetten die onder andere aangevoerd werden vanuit de Alpen.[2] Deze afzettingen vormen stroomgordels: een rivierbedding met aan beide zijden een oeverwal. Deze stroomgordels ontstonden aan de binnenkant van een rivierbocht waar de rivier minder snel stroomde en sediment werd afgezet; in de buitenbocht vond juist erosie plaats. Hierdoor ontstonden er sikkelvormige patronen in het landschap.[3]

Tot in de 10e eeuw ging dit proces nog door. In de 13e eeuw begon de bedijking en kwam het proces tot stilstand; maar hiervoor waren de processen door een natuurlijke vorm al verminderd. De rivier was echter niet makkelijk te bedwingen en is met regelmaat door dijken heen gebroken.[3]