Parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden, naar haar voorzitter ook bekend als de Commissie-Van Traa, werd ingesteld op 6 december 1994 door de voorzitter van de Nederlandse Tweede Kamer naar aanleiding van een debat in de Kamer op 16 november 1994. Hieraan vooraf ging de motie-Dijkstal c.s. die op 7 april 1994 werd aangenomen in de Tweede Kamer. De motie bracht de wens tot uitdrukking om een parlementair onderzoek in te stellen naar de opsporingsmethoden die in Nederland gebruikt werden en de controle hierop. De parlementaire enquêtecommissie werd ingesteld op basis van de Wet op de Parlementaire Enquête uit 1850.

Achtergrond - de IRT-affaire[bewerken]

De achtergrond van de enquête was de aanleiding tot en het gekrakeel rond het opheffen in 1993 van het Interregionaal Recherche Team (IRT) Noord-Holland/Utrecht wat de geschiedenis is ingegaan als de IRT-affaire.
Het IRT Noord-Holland/Utrecht was een interregionaal samenwerkingsverband van een aantal politiekorpsen waaronder Amsterdam en Utrecht. Het team maakte gebruik van een omstreden opsporingsmethode, namelijk het doorlaten van drugs onder regie van politie en justitie. Het doel daarvan was te kunnen doordringen tot in de top van de criminele organisatie die onderzocht werd, de "erven Bruinsma". Eind oktober 1993 ontdekte de nieuw aangestelde teamleider, commissaris van de Amsterdamse politie Johan van Kastel, dat het IRT een opsporingsmethode hanteerde waarvoor hij geen verantwoordelijkheid wenste te dragen. Hij rapporteerde dit aan de korpsleiding in Amsterdam en na veel overleg (en ruzie) tussen de bij het IRT betrokken politiekorpsen, het Openbaar Ministerie en andere betrokkenen, leidde dit tot de opheffing van het IRT hetgeen op 7 december 1993 bekend werd gemaakt. Voor het onderzoek naar de consternatie die dit tot gevolg had, werd de Commissie-Wierenga ingesteld. Er was ondertussen een flinke ruzie ontstaan tussen de politiekorpsen Amsterdam en Utrecht waarbij onder andere corruptiebeschuldigingen over tafel gingen. De Commissie-Wierenga kwam met een rapportage waarin de Amsterdamse politie de schuld werd toegeschoven. Ondertussen was al zoveel over misstanden in de opsporing naar buiten gekomen dat in de Tweede Kamer werd gevraagd om een diepgaande parlementaire enquête.

Opdracht[bewerken]

De enquêtecommissie had de opdracht onderzoek te doen naar:

Leden van de enquêtecommissie[bewerken]

Kernstaf van de enquêtecommissie[bewerken]

  • Erwin Muller, secretaris
  • Nicolle Coenen, griffier
  • Ybo Buruma, lid

Onderzoek[bewerken]

De enquêtecommissie opsporingsmethoden heeft gedurende meer dan een jaar een zeer uitgebreid onderzoek gehouden waarbij honderden personen zijn geïnterviewd, en uiteindelijk 88 personen in het openbaar zijn gehoord. Daarnaast zijn duizenden documenten verzameld en diverse deelonderzoeken o.a. door de wetenschappelijke onderzoeksgroep Fijnaut uitgevoerd.

Rapport[bewerken]

De enquêtecommissie bracht op 1 februari 1996 haar rapport aan de Tweede Kamer uit. Het rapport - dat 5500 pagina's beslaat - wordt vergezeld van in totaal 11 bijlagen waarin o.a. alle verhoren en deelonderzoeken zijn opgenomen. De voornaamste conclusie van de enquête was dat er sprake was van een crisis in de opsporing. Deze crisis kende drie elementen:

  • Ontbrekende normen. De commissie constateerde dat er een gebrek was aan een adequate normstelling voor het optreden van politie en justitie tegen de georganiseerde criminaliteit. Er werd door de wetgever maar ook door de rechter naar het oordeel van de commissie te veel ruimte gelaten voor politie en justitie.
  • Een niet goed functionerende organisatie van de opsporing als gevolg van onduidelijke besluitvorming over wie nu waarvoor verantwoordelijk was. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van betrokkenen bij de opsporing in Nederland waren diffuus volgens de commissie.
  • Problemen in de gezagsverhoudingen. Hoewel expliciet is geregeld dat het Openbaar Ministerie het gezag over de opsporing heeft bleek dit in de praktijk van de opsporing nog niet vanzelfsprekend.

En passant was de commissie van mening dat de Commissie-Wierenga de schuld inzake de consternatie rond het opheffen van het IRT ten onrechte bij de Amsterdamse politie had gelegd.

Het rapport is van een bijzonder grote invloed geweest op de organisatie van de opsporing in Nederland. Ook is het de basis geweest voor veel wijzigingen in het Nederlands Wetboek van Strafvordering zoals de uitputtende omschrijving van de zogenoemde Bijzondere opsporingsbevoegdheden die via de Wet BOB werden geïntroduceerd.

Externe links[bewerken]