Petrus Regout

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Petrus Regout als lid van de Eerste Kamer (1848-1859)
Het fabriekscomplex aan de Boschstraat en het Bassin omstreeks 1865
Prent van villa Canne en omgeving, eigendom van Petrus Regout
Kasteel Vaeshartelt, woonhuis van Petrus Regout

Petrus Dominicus Laurentius Regout (Maastricht, 23 maart 1801Meerssen, 18 februari 1878), bijgenaamd Meneer Pie of de pottekeuning, was een Nederlands industrieel en politicus. Hij geldt als de pater familias van de Maastrichtse ondernemersfamilie Regout.

Levensloop[bewerken]

Regout werd geboren in het gezin van een handelaar in aardewerk en huishoudelijke artikelen in de Nieuwstraat in Maastricht. Na het overlijden van zijn vader ging Petrus op 14-jarige leeftijd meewerken in de glas- en aardewerkwinkel, die zijn moeder had voortgezet. Aanvankelijk begaf Regout zich vooral in de groothandel. Daarbij betrok hij producten uit het nabij gelegen Luik en omgeving, waar de industriële revolutie op het Europese vasteland het vroegst op gang was gekomen. Regout voegde aan zijn winkel een kleine kristalslijperij toe, aanvankelijk gevestigd in de Jodenstraat. De grondstoffen daarvoor betrok van de vlak bij Luik gelegen fabriek Val-Saint-Lambert.

In 1825 huwde hij Maria Aldegonda Hoeberechts. Zij kwam uit een welgestelde familie van hoedenmakers en bracht een aanzienlijke bruidsschat mee, die in het bedrijf werd geïnvesteerd. Een jaar later verhuisde het jonge gezin naar een groot pand in de Boschstraat, recht tegenover de in hetzelfde jaar gereed gekomen binnenhaven Bassin aan de Zuid-Willemsvaart. Deze locatie bewees zich als ideaal voor de beginnende onderneming.

Onder de druk van het economische isolement waarin de stad gedurende de ruim drie jaar durende Blokkade van Maastricht na de Belgische Revolutie van 1830 verkeerde, wist Regout in korte tijd een industrieel imperium op te richten. Aangezien de Nederlandse regering een importverbod op Belgische producten had ingesteld, begon Regout noodgedwongen het benodigde glas voor zijn kristalslijperij zelf te vervaardigen. In 1834 kocht hij een stoommachine en wierf hij slijpers aan uit Wallonië en Frankrijk. Aldus begon hij aan de Boschstraat een stoomglasfabriek. Nog in datzelfde jaar opende hij samen met andere ondernemers een spijkerfabriek. In 1836 richtte hij de later zeer bekend geworden aardewerkfabriek op. In 1838 werd een glasblazerij geopend, in 1840 een gewerenfabriek en in 1847 een gasfabriek. Zo werd Regout de eerste grootindustrieel van Nederland en Maastricht de eerste Nederlandse stad waar zich een industriële omwenteling voltrok.

Omstreeks 1847 was er een recessie, maar Regout liet zijn fabrieken doorproduceren en bouwde aldus een voorraad op, want hij dacht dat de recessie wel snel voorbij zou gaan. Dat bleek inderdaad het geval en zo kon Regout zijn voorraden tegen een hoge prijs verkopen. Hiermee vergaarde hij grote rijkdom. Allengs nam zijn aanzien in Maastricht toe, hoewel hij door sommige notabelen om zijn niet-adellijke afkomst werd genegeerd. In 1851 verwierf hij Kasteel Vaeshartelt, dat hij omtoverde tot een ware lusthof.[1]

In 1853 werkten er in zijn fabrieken meer dan duizend arbeiders. Tien jaar later waren dat er al meer dan tweeduizend. Inmiddels waren drie zoons in de leiding opgenomen, maar Petrus Regout bleef tot 1870 aan het hoofd van zijn zelfgeschapen imperium staan. Hij legde zich daarbij meer en meer toe op het verkennen van nieuwe markten.

In 1844 werd Regout lid van de Kamer van Koophandel. Van 1851 tot 1853 was Regout gemeenteraadslid en van 1849 tot 1859 lid van de Eerste Kamer. Zijn zoon Louis Regout zou later ook Eerste Kamerlid worden. Van 1861 tot 1865 was hij voorzitter van de Vereeniging van en voor Nederlandsche Industrieelen.[2]

Na zijn overlijden werd Regouts lichaam bijgezet in het door hemzelf ontworpen familiegraf naast de Basiliek van het H. Sacrament in Meerssen.

De aardewerkfabriek, vanaf 1899 Sphinx geheten, groeide uit tot een van de grootste producenten van aardewerk ter wereld. Het [Maastrichts aardewerk]] van Regout en de Sphinx is inmiddels een gewild verzamelobject geworden. Na de Tweede Wereldoorlog ging het bedrijf zich meer en meer toeleggen op de fabricage van sanitair.

Nalatenschap[bewerken]

Eind 2006 sloot de Sphinxfabriek aan de noordrand van het Maastrichtse stadscentrum haar poorten en werd een hypermoderne sanitairfabriek in de Beatrixhaven in gebruik genomen. Daarmee kwam een einde aan 180 jaar industriële bedrijvigheid aan de Boschstraat. Drie jaar later werden alle activiteiten van de Koninklijke Sphinx, dat enkele jaren eerder was overgenomen door het Finse Sanitec, overgeplaatst naar Scandinavië.

Gebouwen[bewerken]

In de omgeving van Maastricht zijn een groot aantal kastelen en villa's te vinden, die ooit in het bezit waren van Petrus Regout. Petrus en Aldegonda maakten het tot hun streven aan elk van hun kinderen een fraai landhuis na te laten. Bekende voorbeelden zijn het door Petrus zelf bewoonde kasteel Vaeshartelt, het landgoed Mariënwaard met het kasteel La Grande Suisse en de villa La Petite Suisse, de villa Kruisdonk en de villa Canne. Villa Aldegonda in Amby werd na een brand in de jaren tachtig gesloopt.

Naast de Basiliek van Meerssen bevindt zich nog steeds het uit 1869 daterende neogotische mausoleum van de familie Regout, waar onder anderen Petrus en zijn vrouw Aldegonda begraven zijn.

Vrijwel alle gebouwen uit de tijd van Petrus Regout, inclusief het woonhuis aan de Boschstraat, de kristalslijperij, de glasblazerij, de oorspronkelijke aardewerkfabriek met bijbehorende ovens, de gasfabriek, de spijkerfabriek en de gewerenfabriek, zijn in de loop der jaren gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Alleen de fabriekspoort aan de Boschstraat (ca 1860) is nog overgebleven. Het cluster industriële monumenten dat tegenwoordig het noordwestelijk deel van het Maastrichtse centrum beheerst, dateert uit de tijd ná het terugtreden van Petrus Regout omstreeks 1870. Daaronder bevinden zich de fabrieksmuur (1873?), de Mouleurs-gebouwen (1875), het gebouwencomplex van de Timmerfabriek (1905-11) en het Eiffelgebouw (1928-41).

Overige materiële nalatenschap[bewerken]

In 1864 verwierf Petrus Regout drie geelkoperen kroonluchters, die oorspronkelijk in de Grote of Sint-Laurenskerk in Rotterdam hadden gehangen. Regout schonk een exemplaar aan de Sint-Servaas-, de Onze-Lieve-Vrouwe- en de Sint-Matthiaskerk.[3] In 1872-73 droeg de Maastrichtse fabrikant financieel bij aan de restauratie van kerktoren en plafond van de Sint-Gerlachuskerk in Houthem-Sint Gerlach en bekostigde tevens het overschilderen van het interieur door J. Stroucken uit Roermond. Op een wandschildering is een knielende Petrus Regout en zijn familiewapen met bijschrift te zien.

Betekenis van Petrus Regout als ondernemer en werkgever[bewerken]

Vraagteken Er wordt getwijfeld aan de feitelijke juistheid van het volgende gedeelte

Raadpleeg de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie, en pas na controle desgewenst het artikel aan.
Opgegeven reden: Deze paragraaf bevat onjuiste en eenzijdige informatie. Zie Overleg

Petrus Regout op gevorderde leeftijd, ca 1870

Regout was een pionier op het gebied van industrialisatie. Daar tegenover staat zijn paternalistische sociale beleid dat ook in die tijd al als verouderd en zelfs onmenselijk werd gezien.[bron?] Hij en zijn familie leefden op grote voet, terwijl de arbeiders het met een overvolle en zeer onhygiënische Cité Ouvrière, ofwel een huurkazerne, moesten doen.[bron?] Kinderarbeid onder erbarmelijke omstandigheden, waarbij regelmatig de nacht werd doorgewerkt, was heel gewoon.[bron?] Voor Regout stond bestaansrecht gelijk aan werken, en zonder werk was er ook geen bestaansrecht.[bron?] Tegenover werk stond onderdak, voedsel en loon. In 1858 publiceerde hij zijn traktaat Pauperisme en Industrie, waarin hij de industrie voorstelde als een instrument om verpaupering te bestrijden. Onderwijs en gezondheidszorg kwamen echter in dit geschrift niet voor.

Regout had vele vijanden die polemieken met en over hem voerden en aldus een karikaturaal beeld neerzetten. Terwijl Regout streefde naar erkenning moest de oude adel niets van hem hebben en de liberale nieuwe bovenlaag vond hem een reactionair, aangezien hij van emancipatie van de arbeiders niets wilde weten: dezen hadden zich maar in hun lot te schikken. Die afkeer was wederzijds zodat er heel wat afgescholden werd in de liberale krant Le Courrier de la Meuse en Regout's tegenhanger[bron?]: l'Ami du Limbourg. Regout liet zich graag afbeelden in vorstelijke poses, maar werd door zijn vijanden spottend de pottenkeuning genoemd, naar het product waaraan hij zijn rijkdom te danken had. Wel was hij bevriend met koning Willem II, maar in de adelstand werd hij nimmer verheven, hoewel de koning dit recht gegund heeft aan een aantal katholieke fabrikantenfamilies zoals Smits van Eckart.

In 1934 verscheen Een eeuw modern kapitalisme; de Regouts[4], een boek van de socialistisch politicus Michael Ubachs, dat zeer ten nadele van Regout werkte. Maar de ergste bijdrage aan de beeldvorming omtrent Regout werd geleverd door zijn zoons, die in 1886-1887 door een parlementaire enquêtecommissie werden gehoord. Hun geringschattende antwoorden omtrent het welzijn van de arbeiders werden gepubliceerd en oogstten alom verontwaardiging, niet in de laatste plaats bij de katholieke en socialistische vakbonden die niet lang daarna op begonnen te komen.

Het bedrijf trachtte het inktzwarte beeld bij te stellen. In 1959 werd, in opdracht van De Sphinx, een proefschrift geschreven door A. Maenen. Hierin kwam Regout naar voren als iemand die zich hard zou hebben gemaakt voor sociale wetgeving. Zo zou hij hebben meegewerkt aan het Kinderwetje van Van Houten en hebben gepleit voor de leerplichtwet. Daarnaast zouden de Maastrichtse arbeiders 25 tot 30 procent meer betaald hebben gekregen dan bijvoorbeeld hun collega's in Noord-Limburgse aardewerkbedrijven, waar het levensonderhoud echter ook goedkoper was dan in Maastricht.
Kanttekening bij dit propagandawerk van de familie zelf is dat in diezelfde periode Regout nog steeds gebruik maakte van kinderarbeid (ook ver nadat het Kinderwetje van Van Houten was ingevoerd).[bron?] In 1907 stelde de SDAP-politicus Servaas Baart dat bij Regout werkende glasblazersleerlingen van hun kosthuis via een tunneltje naar de fabriek werden gevoerd en zo feitelijk geen vrijheid kenden.[5] Vaders die hun zonen niet meebrachten naar de glasblazerij werden volgens Baart ontslagen.[5] Onder de vroegere Maastrichtse bevolking tot ver in de 20e eeuw had Regout een zeer slechte naam.[bron?]

Dit alles heeft van Petrus Regout een controversiële figuur gemaakt, wat tot uiting kwam in de strijd om het al dan niet plaatsen van zijn standbeeld. Voor het voormalige kantoor aan de Boschstraat staat sinds 1965 het door Wim van Hoorn vervaardigde standbeeld van Petrus Regout. In de navolgende jaren werd dit beeld regelmatig beklad.

In 2007 speelde Theatergroep Het Vervolg een voorstelling over het leven van Petrus Regout, met acteur Hans van Leipsig in de titelrol.

In Maastricht is nog steeds geen straat vernoemd naar Petrus Regout. Regoutstraten zijn wel te vinden in onder andere Roermond, Weert, Nijmegen, Tilburg en Schiedam, maar het betreft daarbij telkens één van de nazaten van Petrus Regout. In 2008 besloot de Maastrichtse straatnamencommissie een plein in het nieuw te ontwikkelen Sphinxkwartier naar Petrus Regout te vernoemen.[6] Door de economische crisis is de realisering van dit plan voorlopig uitgesteld.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten[bewerken]

  • Ubachs, P.J.H., en I.M.H. Evers, Historische Encyclopedie Maastricht. Zutphen, 2005
  1. Tegenwoordig is het in gebruik als hotel en congrescentrum.
  2. Ubachs/Evers, p.438.
  3. S. Minis, 'De kroonluchters van Petrus Regout'. In: De Sint Servaas (tweemaandelijkse restauratie-informatie bulletin), december 1984, p. 148.
  4. Volledige tekst van de heruitgave uit 1976, dbnl.org
  5. a b De kinderkazerne van Regout, Het Volk, 10 maart 1907
  6. Zie 'Actualisering straatnamenregister' op website Gemeente Maastricht.