Petrus Laurentius Regout

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Petrus Laurentius Regout
(Petrus I Regout)
Regout als lid van de Eerste Kamer (1848-1859). Geschilderd door J.H. Egenberger in 1849
Regout als lid van de Eerste Kamer (1848-1859). Geschilderd door J.H. Egenberger in 1849
Persoonlijke informatie
Bijnaam "meneer Pie"; "pottekeuning"
Geboren 23 maart 1801
Geboorteplaats Maastricht
Overleden 18 februari 1878
Overlijdensplaats Meerssen
Positie stichter en directeur
Bedrijf P. Regout & Co / De Sphinx
Functies
1849-1859 lid Eerste Kamer der Staten-Generaal
1851-1853 lid gemeenteraad van Maastricht
vanaf 1845 (medeoprichter) president-commissaris Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij
1861-1865 voorzitter Vereniging van Nederlandse Industriëlen[1]
Portaal  Portaalicoon   Economie

Petrus Laurentius Regout,[noot 1] ook wel Petrus Dominicus Laurentius Regout, Petrus I, Pieter,[noot 2] Pierre of Pie Regout, bijgenaamd "meneer Pie" of "de pottekeuning" (Maastricht, 23 maart 1801Meerssen, 18 februari 1878), was een Nederlands industrieel en politicus. Hij geldt als de pater familias van de Maastrichtse ondernemersfamilie Regout en was de grondlegger van de kristal-, glas- en aardewerkfabriek P. Regout & Co. / De Sphinx (1834-2009).[2]

Levensloop[bewerken]

Petrus Regout stamde uit een van oorsprong Waalse koopmansfamilie, die sinds het einde van de 17e eeuw actief was in de glas- en aardewerkhandel in Maastricht. Zijn vader Petrus Leonard Regout (1765-1814) had een handel in aardewerk en huishoudelijke artikelen in de Nieuwstraat in Maastricht. Na het overlijden van zijn vader in 1814 verliet Petrus als oudste in het gezin op 13-jarige leeftijd het Atheneum en werkte voortaan mee in de glas- en aardewerkwinkel, die door zijn moeder Maria Gertrudis Nijsten (1766-1835) werd voortgezet. Vanaf zijn achttiende dreef zijn moeder als vanouds de winkel en oriënteerde Petrus Regout zich vooral op de groothandel. Hij liep stage in Wallonië, en betrok later producten uit het nabij gelegen Luik en omgeving. Regout voegde aan de winkel een kleine kristalslijperij toe, aanvankelijk gevestigd in de Jodenstraat. De grondstoffen daarvoor betrok hij van de vlak bij Luik gelegen glasfabriek Val-Saint-Lambert.

Aldegonda Hoeberechts, door Théodore Schaepkens, ca. 1830

In 1825 huwde Petrus Regout de enkele jaren oudere Maria Aldegonda ("Gonneke") Hoeberechts (1798-1878). Zij kwam uit een welgestelde familie van hoedenmakers en bracht een aanzienlijke bruidsschat mee, die in het bedrijf werd geïnvesteerd. Een jaar later verhuisde het jonge gezin naar een groot pand in de Boschstraat, recht tegenover de in hetzelfde jaar gereed gekomen binnenhaven Bassin, het eindpunt van de Zuid-Willemsvaart. Deze locatie bewees zich door de gunstige ligging voor de binnenscheepvaart als ideaal voor de beginnende onderneming.

Onder de druk van het economische isolement waarin de stad gedurende de ruim drie jaar durende Blokkade van Maastricht na de Belgische Revolutie van eind augustus 1830 verkeerde, wist Regout in korte tijd de basis te leggen voor een industrieel imperium. Aangezien de Nederlandse regering een importverbod op Belgische producten had ingesteld, begon Regout noodgedwongen het benodigde glas voor zijn kristalslijperij zelf te vervaardigen. In 1834 kocht hij een stoommachine en wierf hij slijpers aan uit Wallonië en Frankrijk. Aldus begon hij aan de Boschstraat een 'stoom-glasfabriek'. Nog in datzelfde jaar richtte hij samen met zijn broer en zwager de nog altijd bestaande spijker- en draadnagelfabriek Thomas Regout op.

In 1835 stierf Maria Nijsten en liet aan elk van haar drie zonen 35.000 gulden na,[noot 3] een voor die tijd aanzienlijk bedrag, dat Petrus in staat stelde verdere investeringen te doen.[3] Een ander deel van Regouts fortuin stamde eveneens uit het begin van zijn carrière als ondernemer. Omstreeks 1847 deed zich namelijk een landelijke recessie voor. In plaats van zijn productie te verminderen, nam Regout – die de recessie van korte duur achtte – een risico en liet zijn fabrieken door produceren. Hij bouwde aldus een grote voorraad op en kon die later vanwege de ontstane schaarste tegen een hogere prijs verkopen. Deze vooruitziende blik zou een van de peilers vormen van zijn fortuin. Ook had hij de durf om op gezette tijden grote - ook persoonlijke - financiële risico's te nemen, speculaties die vaak een positief resultaat hadden.[4].

Glas- en kristalcatalogus, 19e eeuw
Vaeshartelt en omgeving. Prent in het Album dédié à mes enfants et mes amis (1868)

In 1836 richtte Regout de later zo bekend geworden aardewerkfabriek op en in 1838 opende hij een glasblazerij. Ook was hij medeoprichter van een geweerfabriek (1846), een gasfabriek (1847), in 1850 de papierfabriek van Lhoëst (de latere Koninklijke Nederlandse Papierfabrieken KNP) en de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij (1845-1847). Al deze ondernemingen kwamen tot stand in samenwerking met een of meer compagnons. Zo werd Regout de eerste grootindustrieel van Nederland, en Maastricht de eerste Nederlandse stad waar zich een industriële omwenteling voltrok.

In 1853 werkten er bij de firma Regout meer dan duizend arbeiders. Tien jaar later, in 1863, waren dat er al meer dan tweeduizend. In datzelfde jaar kocht Regout van de gemeente het aanpalende terrein van het voormalige Penitentenklooster, waardoor hij zijn bedrijf binnen het keurslijf van de vestingstad verder kon uitbreiden. Inmiddels waren zijn vijf zonen in de leiding opgenomen, maar Petrus Regout bleef tot 1870 aan het hoofd van zijn zelfgeschapen glas- en aardewerkimperium staan. Hij legde zich daarbij meer en meer toe op het verkennen van nieuwe markten. In september 1870 werd het bedrijf omgezet in een v.o.f., waarbij de drie zonen die nog actief bij de zaak betrokken waren (Pierre, Louis en Eugène), naast hun salaris een aandeel in de winst kregen. Volgens de statuten bezat de vader drie stemmen, de zonen elk één stem. Bij afwezigheid van Petrus sr. konden de handtekeningen van twee zonen die van de vader vervangen.[5]

Regout trok zich in 1870 vanwege zijn verslechterende gezondheid uit het bedrijf terug en vestigde zich definitief op het landgoed Vaeshartelt. In 1875 werd zijn echtgenote Aldegonda Hoeberechts zijn gevolmachtigde. Hij overleed in februari 1878 op 76-jarige leeftijd op Vaeshartelt. Zijn vrouw Aldegonda (Gonneke) en hun tweede zoon, Edouard, volgden hem nog datzelfde jaar. Hun lichamen werden bijgezet in het familiemausoleum aan de Markt van Meerssen, gelegen naast de basiliek van Meerssen.[6]

Arbeidershuisvesting en politieke tegenwerking[bewerken]

Het fabriekscomplex aan de Boschstraat en het Bassin in het hetzelfde album. De locatie van de Cité Ouvrière (midden onder) is incorrect weergegeven

De Belgische Opstand (1830-1839) leidde in Maastricht een periode van stilstand en recessie in. De aanvankelijke bloei na de Franse Tijd (1794-1814) kreeg een knauw met de uitstroom van intellectuelen en leidende figuren naar het nieuwe Koninkrijk België. In de enigszins vastgelopen en kleinsteedse vestingstad Maastricht was Regout een van de weinigen met visie en energie. Veel van zijn ideeën zouden later echter strandden door kortzichtigheid, of onderlinge politieke strijd.[7]

Regout had al in de jaren 1850 plannen om binnen de vestingmuren, maar buiten zijn fabrieksterrein, woningbouw voor arbeiders te realiseren, onder meer op het terrein van de verlaten kazerne bij de Lindenkruispoort. Er is niets van gekomen. Veel van dergelijke gronden waren rijks- of gemeentelijk bezit en het gemeentebestuur wees zijn aanvragen consequent af. Als Regout woningen voor zijn arbeiders wilde bouwen, moest hij dat maar doen op het fabrieksterrein. Daar verrees dan ook in de tuin van de voormalige Andrieskapel een aantal arbeidershuisjes.

Voor de in 1864 door hem gebouwde Cité Ouvrière, in de volksmond De Groete Bouw (het grote huis) genoemd, kreeg Regout aanvankelijk lof toegezwaaid. De Cité Ouvrière was een complex van 40 tweekamerwoningen voor arbeiders, elk circa 60 vierkante meter groot, en enkele eenkamerwoningen voor ongehuwden. Het gebouw was gelegen in de Sint Antoniusstraat, die op de Boschstraat uitkwam ter hoogte van de monumentale fabriekspoort. Regout had het idee opgedaan door bezoek aan soortgelijke huisvesting in Waals België.[8] Door het gebrek aan ruimte binnen de muren van de vestingstad Maastricht was hij in tegenstelling tot de ruimtelijke opzet in het buitenland genoodzaakt in de hoogte te bouwen. Mede daardoor zou het comfort achterblijven bij wat in België mogelijk was. Omstreeks 1900 was het gebouw overbevolkt. De oorspronkelijk tweekamerwoningen waren opgedeeld in 70 eenkamerwoningen en er woonden ruim 350 personen in het gebouw, dat daar nooit op berekend was.[9] [noot 4] De Cité Ouvrière was de eerste vorm van gerichte arbeidershuisvesting in Maastricht en een van de eerste in zijn soort in Nederland.

Het liberale gemeentebestuur onder leiding van de ondernemer (zeepzieder) Willem Hubert Pyls/Pijls (1819-1903), van 1851-1900 raadslid, wethouder en langjarig burgemeester, en de brouwer-wethouder Michaël Marres (1826-1898), werkte de conservatieve Petrus Regout jarenlang consequent tegen.[10] Ook van Regouts aanbod om via leidingen gas en water aan de stad te leveren (1848/1850), wilde zijn tegenstrever, de liberale burgemeester Willem Hubert Pijls, niets horen. Tien jaar later realiseerde deze een eigen gasfabriek voor de stad (1858), ten koste van Regout.[11] Een eerste aanleg van waterleiding kwam eerst in 1885-1887 tot stand.[12] De animositeit was wederzijds; de strijd werd in de jaren 1860-1870 uitgevochten in de lokale pers: de liberale krant Le Courrier de la Meuse (de spreekbuis van Pijls en consorten) met haar 'scheldblad', het Weekblad voor Limburg, en de door Regout gefinancierde tegenhanger, de in Maastricht uitgegeven l'Ami du Limbourg.[noot 5]

Betekenis als ondernemer[bewerken]

Een evenwichtige evaluatie van de ondernemer en werkgever Petrus Regout is niet eenvoudig, omdat een gedegen (moderne) biografie ontbreekt.[2] Daarnaast is de perceptie van zijn rol in de sociale geschiedenis van Maastricht en Nederland in de afgelopen 150 jaar sterk aan schommelingen onderhevig geweest. Na zijn aanvankelijke erkenning vanuit socialistische hoek,[noot 6] werd verguizing van linkerzijde zijn deel in de jaren 1930-1980 (zie hieronder).De laatste decennia heeft een rehabilitatie plaats gevonden en wordt Regout door nieuw onderzoek meer en meer gezien als een pionier op het gebied van de industrialisatie, de eerste industrieel in Nederland.[noot 7]

Petrus Regout op gevorderde leeftijd, ca. 1870

Regout zag als jonge ondernemer begin jaren 1830 de mogelijkheden van de politieke en economische omstandigheden in het door de Belgen belegerde Maastricht. Hij ontpopte zich tijdens de Belegstaat (1830-1839) en daarna als een hard werkende initiatiefnemer, een man met visie, die anderen met enig kapitaal er warm voor kon maken dat kapitaal in te zetten voor de financiering en vestiging van diverse ondernemingen. Hij durfde het aan soms grote, ook persoonlijke, financiële risico's te nemen en zag zo'n waagstuk vaak beloond.[13]

Politiek en religieus gezien was Petrus Regout met veel anderen in het toenmalige politieke spectrum conservatief, gehecht als hij was aan koning en paus.[14] Hij leefde in een periode waarin het liberalisme van Thorbecke streed met het conservatisme dat in veel protestante en katholieke kringen leefde. Als betrokken kind van zijn tijd publiceerde hij in 1858 een traktaat over Pauperisme en industrie, waarin hij de industrie voorstelde als een instrument om verpaupering te bestrijden, een zienswijze die in de eerste decennia van de Nederlandse industrialisatie niet ongewoon was. Voor het eerst na de afschaffing in de Franse Tijd van het leerlingen- en gezellenstelsel, kregen arbeiders immers weer een kans op vast werk tegen een vast loon. Niet voor niets verlieten in Nederland velen het platteland om naar de fabriek in de stad te trekken. Dat dat loon en ook de materiële omstandigheden zouden achterblijven bij de maatschappelijke ontwikkelingen, zou eerst later blijken. Onderwijs en gezondheidszorg – beide verworvenheden van de late negentiende eeuw – werden in Regouts geschrift dan ook slechts passim genoemd. In zijn optiek en die van velen van zijn tijdgenoten, werd werk voldoende beloond met loon, voedsel en onderdak. Onderwijs en gezondheidszorg waren van oudsher het terrein van religieuze instellingen en burgerlijke liefdadigheid, geen zaken waarmee de liberale overheid of werkgevers zich toen bemoeiden.

Anderzijds kan de verhouding van Petrus Regout tot zijn arbeiders gekenmerkt worden als uitgesproken paternalistisch in de oorspronkelijke betekenis van het woord: zorgzaamheid voor zijn 'kinderen': zijn arbeiders en ander personeel.[noot 8]. Het bleven echter in zijn ogen kinderen die leiding nodig hadden, ook toen bij anderen allengs de gedachte post vatte, dat het werkvolk misschien ook wel een eigen inbreng kon hebben.[noot 9]

Maatschappelijke functies en politieke carrière[bewerken]

Petrus Regout als commandant van de erewacht van koning Willem II, 1842
Praalwagen met standbeeld Petrus Regout in historische optocht (Boschstraat, 1905)
Hetzelfde beeld in de glas- en kristalshowroom (na 1905)
  • In 1844-1852 was Regout lid van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, toen een select gezelschap van industriëlen.[15]
  • Van 1849 tot 1859 was hij lid van de Eerste Kamer.
  • Van 1851 tot 1853 was hij tevens gemeenteraadslid te Maastricht.
  • Van 1861 tot 1865 was Regout mede-oprichter en eerste voorzitter van de Vereeniging van en voor Nederlandsche Industrieelen, gevestigd te Den Haag en opgericht in december 1861.[2]

Politiek gezien maakte Petrus Regout zich in de Eerste Kamer sterk voor handelsprotectie in het door twee grenzen omgeven Limburg en tegen de ongelimiteerde aftapping van Maaswater door België, waardoor de vaak toch al lage waterstand van deze regenrivier leidde tot tekorten in Maastricht en verder stroomafwaarts. Ook ageerde hij tevergeefs tegen de aanleg door Staatsspoorwegen van de spoorlijn Maastricht-Beek/Elsloo over een vanwege 'drijfzand' (opgehoogd zand) gevaarlijk traject. Wanneer hij naar het Noorden moest, stapte Regout dan ook steevast pas in de trein op het station van het dorp Bunde, dat vanuit Vaeshartelt gemakkelijk bereikbaar was. Hij had geen ongelijk: in september 1892 kalfde ruim tachtig meter van het betreffende talud af en stortte met de rails een tiental meters naar beneden.[16]

Na zijn afscheid van de landelijke politiek (1859) wijdde Regout zich aan de verdediging van de Limburgse belangen, maar ook aan die van hemzelf als industrieel. Hij publiceerde tal van brochures over actuele vraagstukken.[17][noot 10].

Onderscheidingen[bewerken]

Petrus Regout was commandeur in de Orde van Sint-Gregorius de Grote, een door het Vaticaan verleende onderscheiding, en in de Orde van het Heilig Graf van Jeruzalem, eveneens een rooms-katholieke ridderorde.[18] Hij was tevens ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1840)[19] en van het Franse Légion d'Honneur (1843),[20] Ruim twintig jaar later werd hij drager van de Gouden Medaille 1e klas van België (1864).[21] Hij bezat het ridderkruis 1e klas van de Orde van de Leeuw van Zähringen (1870)[22] en de Bey van Tunis benoemde hem tot grootofficier 1e klas in de Orde van Nichan Iftikar (1873).[23]

Behalve deze onderscheidingen vielen Petrus Laurentius Regout nog tal van andere eerbewijzen ten deel. Koning Willem II was bijvoorbeeld doopgetuige van zijn laatste kind, Wilhelmina Aldegonda Hubertina Regout (1841).[24] Hij ontving tal van geschenken, onder meer van koning Willem III en uit Japan. Veel van deze gegevens zijn terug te vinden in het Album dédié à mes enfants et mes amis (1868).[25]

Maatschappelijke acceptatie[bewerken]

Petrus Regout is wel weggezet als een nouveau riche, die niet zou zijn geaccepteerd door de Maastrichtse society. Dat is gezien zijn industriële, maatschappelijke en politieke carrière, en die van zijn kinderen, een aantoonbaar onjuiste voorstelling van zaken. Hij was onder meer lid van de Sociëteit Momus, een bloeiende, in 1839 door jonge Maastrichtse notabelen opgerichte, en in tweede helft van de negentiende eeuw toonaangevende herenvereniging.[noot 11] Het is wel mogelijk dat hij, zoals andere leden van Maastrichtse families uit de hogere middenstand, in kringen van de Hollandse officieren- en ambtenarenclub, de Groote Sociëteit, om zijn burgerlijke afkomst en gebrek aan academische vorming werd genegeerd. Bij gebrek aan ledenlijsten uit die periode is dat niet meer na te gaan.[26]

Zoals andere ondernemers en industriëlen in den lande heeft Petrus Regout een poging gedaan om zijn grote verdiensten voor het vaderland erkend te zien in de vorm van een verheffing in de adelstand. In de negentiende eeuw stond het iedereen vrij een aanvraag hiervoor in te dienen bij het kabinet van de koning. Nu was Regout in de jaren 1840 bevriend geweest met de in 1849 gestorven koning Willem II, maar hij deed zijn aanvraag eerst in 1873, nadat hij het een en ander had gepresteerd en aan het eind van zijn werkzame leven was gekomen. De verheffing van industriëlen in de adelstand was in Nederland geen regel, maar kwam incidenteel wel voor. Zo werd één tak van de katholieke fabrikantenfamilie Smits van Eckart, waaraan de Regouts later geparenteerd raakten, in 1841 met de titel jonkheer in de adelstand verheven. De Hoge Raad van Adel heeft in het geval van Regout de toenmalige koning Willem III echter negatief geadviseerd. Voornaamste bezwaar van de heren was, dat Regout zich in zijn levenswandel te weinig had geconformeerd aan wat ook nu nog wel wordt genoemd: 'ons soort mensen'.[noot 12] De kunsthistoricus Mekking wijst er echter op, dat veel kritiek op de staat die Regout voerde, terug te voeren is op de eeuwenoude Hollandse koopmansmentaliteit, die wezensvreemd was aan het moderne ondernemerschap in het katholieke zuiden. Wanneer Regout wordt beoordeeld in relatie tot zijn collega's, de moderne ondernemers in het Waalse en Pruisische/Akense industriebekken, (die wél op grond van hun economische verdiensten door de Belgische en Pruisische overheid werden geadeld), blijkt dat eenzelfde etalering van fabriekspotentieel en rijkdom niet alleen met vergelijkbare trots werd gepubliceerd, maar dat deze zelfs noodzakelijk was voor een succesvolle bedrijfsvoering.[27]

Overigens kan Petrus Regout een zekere neiging om zijn licht niet onder de korenmaat te stellen, niet worden ontzegd. Het is goed mogelijk dat deze karaktertrek op latere leeftijd, toen hij zich steeds minder met het bedrijf kon bemoeien, sterker naar voren kwam. Omstreeks 1867 liet hij een album vervaardigen met kleurenlitho's van zijn huizen, buitens, fabriekscomplex, onderscheidingen en andere eerbewijzen. Het platenboek was een bevestiging van zijn leven, zijn prestaties, waarop hij trots mocht wezen. Het Album dedié à mes enfants et mes amis was een privé-geschenk voor zijn kinderen en enkele vrienden, geen grootse manifestatie van zijn rijkdom naar de buitenwacht toe. Omdat er verschillende exemplaren bewaard zijn gebleven, raakte het later in brede kring bekend en is het wel veroordeeld als een blijk van grote ijdelheid.[28]

Iets dergelijks geldt voor een geschilderd portret, waarvan de litho later werd aangepast, en dat Regout toont in wat wel 'een vorstelijke pose' wordt genoemd. Deze houding bij het portretteren zou het ultieme bewijs zijn voor een veronderstelde grootheidswaan. Wie echter de moeite neemt om zich wat te verdiepen in de beeldcultuur van de achttiende en negentiende eeuw, zal tot de conclusie komen, dat de zogenaamd vorstelijke pose met de wijzende vinger naar iets dat op een bureau of tafel ligt, ook te zien is op schilderijen van architecten, kasteelheren, bisschoppen en fabrikanten. Een litho van Regout te paard, als lid van de erewacht bij de ontvangst van koning Willem II (1842), is evenmin specifiek een uiting van ijdelheid. Het exemplaar met Regout erop is er slechts één van een hele reeks soortgelijke afbeeldingen van leden van erewachten, te Maastricht en elders. Er waren begin negentiende eeuw nu eenmaal weinig andere mogelijkheden om zich te laten portretteren. Waarom zou men een belangrijke gebeurtenis niet mogen laten vastleggen? Gelukkig heeft Regout ook nog de opkomst meegemaakt van de fotografie. Er bestaan verschillende carte de visite-portretten van hem, al dan niet in ambtskostuum en/of getooid met onderscheidingen. Die portretten tonen een oude(re), minder heroïsche, 'dus' minder belangrijke Regout, en dat lijkt in sommige kringen welkom te zijn.[noot 13].

Onverdiende slechte naam[bewerken]

Petrus I Laurentius Regout (1801-1878) en zijn oudste zoon en opvolger Petrus II Alexander Regout (1828-1897) zijn in het verleden vaak met elkaar verward, wat in de twintigste eeuw leidde tot verguizing van zowel de vader, als de zoon. Het was echter de laatste, die verantwoordelijk is voor de slechte reputatie van het familiebedrijf eind negentiende eeuw, vooral vanwege zijn harde en cynische uitspraken bij de parlementaire enquête naar de toestand in fabrieken en werkplaatsen (1887).[noot 14] Men zou kunnen stellen dat Petrus I Regout hierdoor de zondebok werd voor de sociale ellende, die in Maastricht het gevolg was van de snelle industrialisatie. Daarbij wordt soms vergeten, dat dezelfde problemen die in Maastricht speelden, ook in andere Nederlandse en buitenlandse geïndustrialiseerde steden het geval waren. Bovendien mag men Petrus Regout niet met moderne maatstaven meten; onze hedendaagse criteria voor 'goed ondernemerschap' zijn anders dan die in zijn tijd.[7][29]

Biografieën van Petrus Regout: Ubachs (1934), Maenen (1959) en Van Iterson (1992)

In 1907 stelde de SDAP-politicus Servaas Baart tijdens een landelijk congres over arbeidstijden dat bij 'Regout' werkende glasblazersleerlingen van hun kosthuis via een tunneltje naar de fabriek werden gevoerd en zo feitelijk geen vrijheid kenden.[30] Het verhaal werd door de katholieke politicus Piet Aalberse ontkracht, maar onder de Maastrichtse bevolking bleef dit verhaal over uitbuiting van kinderen als een hardnekkige mythe standhouden.[noot 15] Mede om die reden behield De Sphinx tot ver in de twintigste eeuw een slechte naam.[noot 16] In 1934 verscheen Een eeuw modern kapitalisme; de Regouts, een boek van de socialistisch politicus Michaël Ubachs, dat zeer ten nadele van 'Regout' (bedoeld werd vooral 'De Sphinx') werkte.[31] Terwijl in 1905 tijdens de grote historische optocht het door arbeiders van De Sphinx vervaardigde standbeeld van Petrus I nog op een praalwagen door de stad werd gereden, als laatste in een reeks van grote, historische figuren, was hij dertig jaar later door agitatie van links politieke zijde verworden tot de verpersoonlijking van kapitalistische uitbuiting.[32] Pogingen in 1958 om een standbeeld op te richten op de Markt, stuitten op weerstand van hoog tot laag, inclusief de toenmalige burgemeester Willem baron Michiels van Kessenich (1902-1992).[2]

Het bedrijf heeft getracht het inktzwarte beeld bij te stellen, niet zozeer vanwege de besmeurde reputatie en persoon van de oprichter, maar omdat veel Maastrichtse arbeiders in de twintigste eeuw vanwege de negatieve publiciteit naar de mijnen trokken, in plaats van een baan in de aardewerkindustrie te ambiëren.[33]. In 1959 verscheen het proefschrift van A. Maenen, waarin Petrus Regout naar voren kwam als een voorstander van sociale wetgeving.[34]. Het feit dat het onderzoek was gefinancierd door de NV De Sphinx, heeft in sommige kringen geleid tot twijfels over de betrouwbaarheid van het eindresultaat, vanwege een vermeende afhankelijkheid van de onderzoeker van het bedrijf, waardoor zijn integriteit als wetenschapper zou zijn geschaad.

Geheel afgezien daarvan heeft Maenen echter een grote hoeveelheid feiten kunnen documenteren. Een ervan is, dat Petrus Regout om de kinderarbeid te bestrijden voor het instellen van een minimum leeftijd van kinderen in de fabriek was. Reeds in januari 1870, ruim voor de invoering in 1874 van het door de Tweede Kamer volledig uitgeklede Kinderwetje van Van Houten, verbood hij zijn personeel kinderen onder de twaalf jaar aan te nemen. Het dagblad Mercurius van 29 januari 1870 nam een melding hiervan over uit de Courrier de la Meuse: "De heer Regout te Maastricht (heeft) het besluit genomen om geen kinderen meer in zijne fabriek op te nemen die hunne eerste Heilige Communie nog niet gedaan hebben." Toentertijd deed men de Eerste Communie op twaalfjarige leeftijd. De Courrier vervolgde: "Wij juichen dit voor ouders en kinderen zoo belangrijk besluit van ganscher harte toe en hopen dat dit voorbeeld in de verschillende steden van ons rijk navolging zal vinden." Omdat in Maastricht geen van de andere grote werkgevers - met name de Société Céramique en de papierfabriek van Lhoëst - hier iets voor voelden zolang de twaalfjarige leeftijd niet verplicht werd gesteld door de overheid, heeft Regout dit initiatief na zes maanden vanwege de oneerlijke concurrentie moeten prijs geven. Het is mogelijk dat ook de in die tijd spelende bedrijfsoverdracht aan zijn liberaal gezinde zonen hierin heeft meegespeeld. Volgens Maenen heeft Regout tevens gepleit voor de invoering van een leerplichtwet. Personeel dat kon lezen, schrijven en rekenen had uiteindelijk immers een meerwaarde voor de fabriek. Die leerplicht zou er echter pas in 1901 komen. Daarnaast zouden de Maastrichtse arbeiders 25 tot 30 procent meer betaald hebben gekregen dan bijvoorbeeld hun collega's in Noord-Limburgse aardewerkbedrijven. Omdat de kosten van levensonderhoud daar lager waren dan in Maastricht, moet het eindresultaat min of meer gelijk gebleven zijn. Het standbeeld voor Regout is er uiteindelijk in 1965 gekomen (tijdens de nog lopende ambtstermijn van Van Kessenich!), niet op de Markt, maar voor de fabriek aan de Boschstraat.

Vaeshartelt: koninklijk jachtslot en villa voor de paus[bewerken]

In 1841 kocht Regout als gevolmachtigde in opdracht van koning Willem II het kasteel Vaeshartelt, toentertijd gelegen in de gemeente Meerssen, nu gemeente Maastricht. Het 118 hectare grote landgoed was bedoeld als jachtslot voor de koning, die er echter slechts enkele keren gebruik van maakte. In 1851, na het overlijden van de vorst, kocht Petrus Regout het landgoed uit de koninklijke boedel en gebruikte het aanvankelijk als buitenverblijf, vanaf 1863 ook als meer vaste verblijfplaats. Regout was een ultramontaans katholiek, een stroming binnen het katholicisme die grote betekenis hechtte aan het gezag van de paus in Rome. Toen de strijd om de Kerkelijke Staat paus Pius IX na acht jaar steeds verder in het nauw bracht, bood hij in 1868 het landgoed aan de paus aan als vluchthaven.[35] Zover is het niet gekomen. Pius IX raakte met de val van Rome in september 1870 weliswaar het laatste restje van de Kerkelijke Staat kwijt, maar bleef in Vaticaanstad, zijn kleine wereldlijke enclave in het centrum van Rome.

Nalatenschap[bewerken]

Aardewerkproducten[bewerken]

De aardewerkfabriek van Regout, vanaf 1899 N.V. De Sphinx v/h Petrus Regout & Co. geheten, groeide uit tot een van de grootste producenten van aardewerk ter wereld. Maastrichts aardewerk van Petrus Regout & Co. en De Sphinx is een populair verzamelaarsobject en bevindt zich in diverse museale verzamelingen (o.a. Centre Céramique, Bonnefantenmuseum en Museum aan het Vrijthof in Maastricht, Discovery Center Continium in Kerkrade, Keramiekmuseum Princessehof in Leeuwarden en Rijksmuseum Amsterdam). Van het glas en kristal dat door de fabrieken van Regout werd geproduceerd, is veel minder bewaard gebleven. Na de Tweede Wereldoorlog produceerde het bedrijf voornamelijk sanitair.

Fabrieksgebouwen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Koninklijke Sphinx voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Gevelstenen P.R. (Petrus Regout), 1834/36

Bij zijn overlijden besloegen de fabrieken van Regout bijna tien hectare in het stadscentrum van Maastricht, met ongeveer 70 gebouwen, waaronder de kristalslijperij, de glasblazerij, de aardewerkfabriek met bijbehorende ovens en de gasfabriek. Vrijwel alle industriële bouwwerken uit die tijd zijn in de loop der jaren gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Alleen de fabriekspoort aan de Boschstraat, de zogenaamde Penitentenpoort,[noot 17] en het woonhuis op nr. 45 (uit 1863) zijn overgebleven. Het cluster industriële monumenten dat tegenwoordig het noordwestelijk deel van het Maastrichtse centrum beheerst, dateert uit de tijd ná het terugtreden van Petrus Regout omstreeks 1870. Daaronder bevinden zich de fabrieksmuur (1873?), de Mouleurs-gebouwen (1875), het gebouwencomplex van de Timmerfabriek (1905-11) en het Eiffelgebouw (1928-41).

In 2006 verhuisde de Sphinx-fabriek van de noordrand van het Maastrichtse stadscentrum naar de Beatrixhaven, waarmee een einde kwam aan ruim 170 jaar industriële bedrijvigheid aan de Boschstraat. Drie jaar later sloot ook de fabriek in de Beatrixhaven. De naam "Sphinx" leeft nog voort als een van de vele merknamen van de Zwitserse multinational Geberit.

Kastelen en villa's; familiegraf[bewerken]

In de omgeving van Maastricht is een aantal kastelen en villa's te vinden, die ooit in het bezit waren van Petrus Regout, of van zijn nazaten.[36] Enkele daarvan, zoals Vaeshartelt en La Grande Suisse, groeiden uit tot ware lusthoven. Het verhaal gaat, dat Petrus en Aldegonda het tot hun streven hadden gemaakt aan elk van hun tien kinderen een fraai landhuis na te laten. Feit is, dat Regout verschillende landgoederen aankocht en ook wel panden (ver)bouwde. Zijn eerste huis buiten de stad schijnt de Villa Canne op Sint Pieter te zijn geweest. Regout bouwde het huis omstreeks 1850, als op ruime afstand van de stad, in het landelijke Jekerdal gelegen steunpunt bij zijn vernismaalderij in de Nekummermolen. In 1851 kocht hij kasteel Vaeshartelt aan (zie hierboven).

In 1862 volgde het aanpalende landgoed Mariënwaard met het kasteel La Grande Suisse (in 1875 verkocht aan een Duitse kloostergemeenschap) en de villa La Petite Suisse, aanvankelijk verhuurd aan een hotelier. Later werd La Petite Suisse bewoond door Regouts oudste dochter, 'Mimi' Weustenraad-Regout, die het gebouw omdoopte tot Villa Kanjel, naar het riviertje Kanjel, dat over het terrein loopt.

Villa Kruisdonk, onderdeel van het landgoed Vaeshartelt, werd eerst na zijn overlijden gebouwd door Regouts derde zoon, Louis (1880). Van Villa Aldegonda in Scharn is de bouw- en bewoningsgeschiedenis onzeker. Het huis schijnt te zijn bewoond door de vierde zoon, Eugène, totdat het pand te klein werd voor diens groeiende gezin. Hijzelf bouwde vervolgens in 1879 de dichter bij de stad gelegen en nog altijd bestaande Villa Wyckerveld. Ook kasteel Meerssenhoven is nooit in bezit van Petrus Regout geweest; het werd in 1902 aangekocht door zijn vijfde zoon, Gustave.

Naast de Basiliek van Meerssen bevindt zich de uit 1869 daterende grafkelder van de familie Regout, waar onder anderen Petrus en zijn vrouw Aldegonda begraven zijn. Het mausoleum bestaat uit een neogotische grafkapel en een deels onderaardse grafkelder met 122 grafnissen.

Straatnaam, standbeeld, overige nalatenschap[bewerken]

Brievenbussen Petrus Regoutplein
Muurschildering Sint-Gerlachuskerk, Houthem, met knielende Regout, 1872-73

Vanwege zijn besmette reputatie (zie hierboven) duurde het lang voordat er in Maastricht een straat werd vernoemd naar Petrus Regout. In 2008, 130 jaar na zijn dood, besloot de Maastrichtse straatnamencommissie het plein tussen het Eiffelgebouw en de Mouleurs in het nieuwe Sphinxkwartier naar hem te vernoemen.[37] Regout-straten zijn tevens te vinden in Roermond, Weert, Nijmegen, Tilburg en Schiedam, maar het betreft daarbij nazaten van Petrus Regout. Het in 1905 bij een historische optocht meegevoerde gipsen standbeeld, dat later in een nis in de toonzaal van de Timmerfabriek werd geplaatst, bevindt zich thans in het Discovery Center Continium in Kerkrade. Het bronzen standbeeld dat in 1965 door Wim van Hoorn werd vervaardigd, staat voor het voormalige kantoor en de fabriekspoort van De Sphinx aan de Boschstraat. Het beeld werd in de tijd van de linkse krakersbeweging diverse malen beklad.[38]

Als katholiek en ultramontaan begunstigde Petrus Regout aan het eind van zijn leven diverse rooms-katholieke doelen. In 1864 verwierf hij enkele antieke geelkoperen kroonluchters, die oorspronkelijk in de Grote of Sint-Laurenskerk in Rotterdam hingen. Hij schonk ze vanwege zijn gouden huwelijk aan de parochiekerken van Maastricht: één grote en twee kleine aan de Sint-Servaas-, één aan de Onze-Lieve-Vrouwe- en één aan de Sint-Matthiaskerk.[39]

In 1872 sponsorde Regout Bock & Willemsens Die mittelalterlichen Kunst- und Reliquienschätze zu Maestricht, een publicatie die grote invloed zou hebben op de waardering van de middeleeuwse kerkschatten van Maastricht. Er verscheen tevens een Franstalige versie van het boek. Een jaar later ondersteunde hij de restauratie en inrichting van de nieuwe schatkamer van Sint-Servaas. Op een herinneringsprent ter gelegenheid van de opening van de schatkamer staat hij als mecenas afgebeeld. Eveneens in 1872-73 droeg de fabrikant financieel bij aan de restauratie van kerktoren en plafond van de barokke Sint-Gerlachuskerk in Houthem-Sint Gerlach en bekostigde tevens de restauratie van de fresco's in het interieur door J. Stroucken uit Roermond. Op een wandschildering is, naast Sint Petrus, een knielende Petrus Regout met familiewapen en bijschrift afgebeeld. Vijfentwintig in Luik door de firma Nagant vervaardigde Remington 5675 geweren, achterladers voorzien van bajonetten, werden door Petrus Regout in oktober 1869 aan paus Pius IX geschonken. Ze waren bestemd voor de pauselijke gendarmerie.[40] Verschillende ervan bevinden zich nu in diverse wapencollecties. De geweren vertonen het familiewapen en een inscriptie.[noot 18]

In 2007 schreef Erik-Ward Geerlings een toneelstuk over het leven van Petrus Regout. Theatergroep Het Vervolg speelde de voorstelling op locatie in een fabriekshal van Koninklijke Sphinx, onder regie van Hans Trentelman en met acteur Hans van Leipsig in de titelrol.[41]

Nakomelingschap[bewerken]

Petrus Dominicus Laurentius Regout trouwde op 17 juni 1825 te Maastricht met Maria Aldegonda Hoeberechts (1798-1878), dochter van Franciscus Hoeberechts (1761-1819) en Joanna Margaretha Botti (1768-1847). Het echtpaar kreeg tien kinderen, van wie er één de volwassenheid niet bereikte. Alle vijf zonen namen direct of indirect vooraanstaande posities in in het bedrijf van hun vader, of dat van hun oom Thomas Regout.[42]

Familiefoto bij kasteel Vaeshartelt. Petrus en Aldegonda temidden van de kleinkinderen (in koetsen), ca. 1865
  1. Maria ("Mimi") Gertrudis Hubertine Regout (1826-1898), commissaris C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co., gehuwd met Jean Jacques Adolphe Weustenraad (1813-1859), 4 kinderen, bewoonster van de villa La Petite Suisse, die zij omdoopte tot Villa Kanjel.
  2. Petrus ("Petrus II") Alexander Hubertus Regout (1828-1897), vennoot en directeur C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co., gehuwd met Gertrudis Hubertina Amelia ("Amélie") Polis (1830-1904), 10 kinderen, bewoner Villa Canne
  3. Hubert Edouard ("Edouard") Thomas Regout (1829-1878), vennoot C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co., gehuwd met Marie Marguerite "Théodosie" Léontine Kersten (1829-1892), 11 kinderen
  4. Eugène Bernard Hubert Regout (1831-1908), vennoot en directeur C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co., vennoot en bestuurder N.V. Maastrichtsche Spijker- en Draadnagelfabriek v/h Thomas Regout, lid Provinciale Staten van Limburg, gehuwd met 1) Caroline Hortense "Victorine" Bonhomme (1831-1861), 4 kinderen, en 2) "Léonie" Hubertine Regout (1837-1906), 8 kinderen, bouwheer en bewoner villa Wyckerveld
  5. Hubert Gérard Louis ("Louis I") Regout (1832-1905), vennoot en directeur C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co., medeoprichter porseleinfabriek Louis R. en Zonen (later Koninklijke Mosa), oprichter glasfabriek Stella (later Kristalunie Maastricht), lid van Provinciale Staten van Limburg, lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, gehuwd met Theresia Hubertina ("Thérèse") Berger (1829-1899), 12 kinderen, bouwheer en bewoner villa Kruisdonk
  6. Maria Hubertina Anna "Emilie" Regout (1834-1886), gehuwd met Hubert Joachim Brouwers (1833-1892), burgemeester van Roermond, 5 kinderen, bewoonster kasteel Nijswiller
  7. Hubertus Victor Franciscus Regout (1835-1837)
  8. Joséphine Hubertine "Pauline" Regout (1837-1864), gehuwd met Carolus Henricus Gijsbertus Hubertus Leurs (1828-1900), medicus, 8 kinderen
  9. Gustave Jean Hubert Regout (1839-1923), vennoot C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co., gehuwd met Ma­rie "Louise" Philippinne Ghislaine Eugenie Pétry (1849-1916), 5 kinderen, bewoner Kasteel Vaeshartelt
  10. Wilhelmina Aldegonda Hubertina Regout (1841-1868), ongehuwd

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]