Noodkist

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Noodkist
De Noodkist in een glazen vitrine in de schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek. Hier: Servaaszijde en Pauluszijde
De Noodkist in een glazen vitrine in de schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek. Hier: Servaaszijde en Pauluszijde
Kunstenaar onbekend
Stroming Maaslandse kunst
Jaar ca. 1165 (mogelijk tot ca. 1200)
Ontstaanslocatie Maastricht?, Maasland
Huidige locatie Schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek, Maastricht
Materiaal eikenhouten kist bekleed met verguld koper
Lengte 175 cm
Breedte 49 cm
Hoogte 74 cm
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Noodkist is de populaire benaming van het reliekschrijn van Sint-Servaas, dat zich in de schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek in de Nederlandse stad Maastricht bevindt. De naam 'Noodkist' dankt het schrijn aan het gebruik om de kist met de relieken van de patroonheilige van Maastricht in tijden van nood in processie door de stad te dragen. De noodkist en de vier bijbehorende Brusselse pendanten behoren tot de belangrijkste voorwerpen van middeleeuwse edelsmeedkunst in de Lage Landen.

Geschiedenis[bewerken]

Vóór 1165: relieken van Sint-Servaas[bewerken]

Volgens de traditie overleed Servatius, bisschop van Tongeren, in 384 te Maastricht en werd aldaar langs de Romeinse weg, de Via Belgica, even buiten het romeinse castellum van Maastricht, begraven. In de 6e eeuw schreef Gregorius van Tours over zijn tijdgenoot Monulfus, hoe deze het lichaam van Servatius liet bijzetten in een ruimte onder het altaar van de door hem gebouwde kerk, de eerste Sint-Servaaskerk.[1] In de rooms-katholieke traditie wordt dit gezien als een elevatio (verheffing van het gebeente), een onofficiële heiligverklaring. De Franse benedictijn Jocundus berichtte in de 11e eeuw over nog een elevatio, ditmaal door de bisschop van Luik (mogelijk Hubertus?) in samenwerking met een zekere koning Karel (mogelijk Karel Martel of Karel de Grote?). Daarbij werd in de door bisschop Monulfus gebouwde grafkelder het ongeschonden lichaam van de heilige ontdekt, tezamen met een aantal door Servatius uit Tongeren meegebrachte relieken en de zgn. drie hemelse doeken.

Sarcofaag in de vieringscrypte

In het begin van de 11e eeuw liet proost Geldulfus een compleet nieuwe kerk bouwen. Deze werd in 1039 in het bijzijn van koning Hendrik III door twaalf bisschoppen ingewijd, waarbij de relieken van Servatius, Monulfus, Gondulfus, Candidus en Valentinus (zie Pendanten hieronder) in een stenen kist bij het hoofdaltaar werden geplaatst[2]. Deze is waarschijnlijk bewaard gebleven: op het altaar in de vieringscrypte staat een beschilderde sarcofaag, die wordt aangeduid als "sarcofaag van de vier heilige bisschoppen". De stenen kist met een schilddakvormig deksel is waarschijnlijk laat-Romeins. De primitieve beschildering is mogelijk 17e-eeuws.[notes 1] Ten tijde van Jocundus' verbijf in Maastricht (ca. 1070-88) bevonden zich de stoffelijke resten van de patroonheilige in een verguld zilveren reliekschrijn in de crypte. Over dit schrijn is verder niets bekend.[3]

Circa 1165-1200: totstandkoming van het schrijn[bewerken]

Noodkist en pendanten op middeleeuwse sokkel (tekening Van Heylerhoff, ca 1820)
Historiserend ontwerp van P. Cuypers naar de vermeende middeleeuwse situatie
Houtsnede van de Noodkist in Bock & Willemsens publicatie over de Maastrichtse kerkschat (1872)
Reliekenprocessie met de Noodkist bij de opening van de nieuwe schatkamer in 1873
De Noodkist in het Bergportaal (1917)
De Noodkist-pendanten in de Heiligdomsvaart van 1948
De Heiligdomsvaart van 2011

De twaalfde eeuw was een tijd van voorspoed voor het kapittel van Sint-Servaas, wat leidde tot een culturele bloeiperiode in Maastricht en omgeving. De proosten van Sint-Servaas kwamen uit de hoogste kringen van de Duitse adel en bekleedden het ambt van kanselier van het Heilige Roomse Rijk.[4] De Duitse keizers bezochten met regelmaat het graf van Sint-Servaas en deden daarbij belangrijke schenkingen aan het kapittel. Onder de proosten Arnold van Wied en Gerard van Are werden grote delen van de kerk vernieuwd. Maastrichtse beeldhouwers (metsen) werkten aan kapitelen en reliëfs, niet alleen in Maastricht, maar tot Utrecht, Bonn en Thüringen aan toe.[5] De roem van de Maastrichtse schilders reikte eveneens ver.[6] Hendrik van Veldeke dichtte zijn Sint-Servaaslegende. De Maaslandse edelsmeedkunst bereikte een hoog niveau en talrijke kerken en kloosters lieten reliekhouders en andere kerkelijke siervoorwerpen maken.

Het was in deze sfeer dat het Sint-Servaaskapittel, omstreeks het jaar 1165, besloot het gebeente van de heilige opnieuw te verheffen en in een rijkversierd verguld koperen reliekschrijn over te plaatsen. Van Gerard van Are is bekend dat hij in 1166 in Bonn, waar hij eveneens proost was, de relieken van drie heiligen uit hun stenen sarcofagen liet verheffen.[7] Wellicht deed hij hetzelfde in Maastricht. Ook voor de relieken van Monulfus, Gondulfus, Candidus en Valentinus werden rond diezelfde tijd reliektafels gemaakt.[8] Het is niet duidelijk of het werk aan het schrijn zoveel tijd (meer dan 30 jaar) vergde, of dat men wilde wachten tot alle vijf kunstwerken klaar waren. In elk geval vond de overbrenging van het gebeente van Sint-Servaas naar de Noodkist eerst plaats in de periode tussen 7 november 1196 en 1 februari 1200.[9] Het gehele ensemble werd toen op het hoogkoor opgesteld.

Late middeleeuwen: hoogtij Sint-Servaasdevotie[bewerken]

Gedurende de middeleeuwen nam de devotie tot Sint-Servaas een hoge vlucht. Jaarlijks kwamen duizenden pelgrims naar Maastricht om bij het graf van de heilige te bidden en de relieken (waaronder de Noodkist) te aanschouwen. Vanaf 1391 werd een begin gemaakt met de zevenjaarlijkse traditie van de heiligdomsvaart. Om praktische redenen kon het schrijn onmogelijk via de dwerggalerij aan de pelgrims getoond worden, zoals het geval was met diverse andere relieken en reliekhouders. Tijdens de heiligdomsvaarten kregen pelgrims toegang tot het priesterkoor, waar de Noodkist op een stenen altaar stond. De capsa, het houten omhulsel dat het schrijn normaal gesproken aan het zicht onttrok, was dan geopend. Het was zelfs toegestaan om de Noodkist aan te raken.[10] In 1409 werd voor het eerst melding gemaakt van de gewoonte om in tijden van nood met het schrijn langs de kerken en kapellen van de stad te gaan, waarbij in sommige gevallen aan gevangenen hun vrijheid werd geschonken.[11]

Nieuwe tijd: achteruitgang Sint-Servaasdevotie[bewerken]

Na de Reformatie bleef de Servaas-verering doorgaan, hoewel het aantal pelgrims na 1550 sterk afnam. In de 16e eeuw vonden wel nog talrijke noodprocessies plaats.[12] Nadat de stad in handen van de Republiek der Verenigde Nederlanden was gekomen (Beleg van Maastricht, 1632), was het tonen van de Noodkist en andere relieken buiten de kerk niet langer toegestaan. Meestal stond de kist op een sokkel van mergelsteen achter het hoofdaltaar op het hoogkoor, zoals op een tekening van Martinus van Heylerhoff is te zien. Volgens diverse beschrijvingen was de kist afgedekt door een capsa, een houten omhulsel met een boogvormige afdekking dat beschilderd en verguld was. Dit omhulsel werd op gezette tijden geopend door de custodes (schatbewaarder). In 1634 moest men vanwege oorlogsdreiging een groot deel van de kerkschat in veiligheid brengen in Luik, maar de Noodkist behoorde daar niet bij. In 1676, tijdens de Hollandse Oorlog, besloot het kapittel, op aandringen van de magistraat van de stad, de Noodkist over te brengen naar de crypte. Ook later werd het schrijn bij oorlogsdreiging in veiligheid gebracht. Mogelijk is bij een van die gelegenheden de capsa verwijderd, want deze wordt na 1627 niet meer genoemd.[13][14]

19e en 20e eeuw: herleving Sint-Servaasdevotie[bewerken]

In de Franse tijd werd het kapittel van Sint-Servaas opgeheven en een groot deel van de kerkinventaris verkocht of vernield. De Noodkist werd aanvankelijk verborgen in de proosdij van Sint-Servaas, daarna in de Dominikanenkerk en keerde al in 1805 terug naar de net opnieuw in gebruik genomen parochiekerk. In 1811 werd de kerk inwendig ingrijpend verbouwd. De vieringscrypte werd gesloopt, het hoogkoor verlaagd en de sokkel voor het schrijn van Servatius afgebroken. De Noodkist stond daarna enige tijd opgesteld in de Sint-Jozefkapel, de eerste zijkapel grenzend aan de zuidbeuk. Het werd afgeschermd door een houten omhulsel, dat alleen op bijzondere feestdagen werd verwijderd. In 1846 werden de bij de Noodkist behorende 12e-eeuwse reliektafels van Monulfus, Gondulfus, Candidus en Valentinus door pastoor Van Baer verkocht aan Prins Alexei Soltykoff (of Saltykov), verzamelaar van middeleeuwse kunstvoorwerpen. Bij de veiling van de collectie Soltykoff in 1861 toonde het Maastrichtse kerkbestuur geen belangstelling voor terugkoop van de pendanten, waarna ze in de collectie van de Brusselse Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis terechtkwamen.[15]

Een belangrijk keerpunt in de herwaardering van de kerkschat was de publicatie door de Akense kanunnik Franz Bock en de Maastrichtse kapelaan Michaël Willemsen van een Duitstalige studie over de kerkschat (Die mittelalterlichen Kunst- und Reliquienschätze zu Maestricht, 1872); een jaar later gevolgd door een uitgebreidere Franstalige versie en in 1874 afgesloten met een Nederlandstalige samenvatting.[16] Deze publicaties, evenals de herinrichting van de schatkamer door architect Pierre Cuypers in dezelfde periode, plaatsten de Noodkist en andere kerkschatten opnieuw in het middelpunt van de belangstelling.

Aan het einde van de 19e eeuw werd de Servaaskerk door Cuypers ingrijpend gerestaureerd. Hierbij werden onder meer de veranderingen van 1811 teruggedraaid. Het hoogkoor met de ondergelegen crypte werd herbouwd en Cuypers bedacht een historiserende constellatie, waarbij de sarcofaag van de vier heilige bisschoppen, de Noodkist en de door pastoor Rutten bestelde kopieën van de bijbehorende Brusselse pendanten, samen met de cenotaaf van Monulfus en Gondulfus, een ereplaats kregen bij het nieuwe, neoromaanse hoogaltaar. Het podium voor de Noodkist was zodanig geconstrueerd dat men er in aanbidding onderdoor kon lopen. In 1930 werd het zuidelijk Vrijthofportaal ingericht als kapel voor de Noodkist. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog bevond het schrijn zich korte tijd op het hoogkoor, in de crypte en in het Bergportaal. In 1960-62 werd de Noodkist door het Utrechtse atelier Brom gerestaureerd, waarna het schrijn een nieuwe plaats kreeg in de vieringscrypte, waar het op een marmeren plaat ondersteund door vier zuiltjes en afgeschermd door een glazen omhulsel werd tentoongesteld. In 1982 verhuisde het naar de nieuwe schatkamer in de Dubbelkapel, waar het in een beveiligde vitrinekast staat opgesteld in de oostelijke ruimte op de benedenverdieping. Tegen de achterwand van deze ruimte bevinden zich de kopieën van de Brusselse reliektafels.[17]

Beschrijving[bewerken]

De Noodkist is een eikenhouten kist, die met zijn zadeldak het 'hemelhuis' verbeeld. De kist is 175 cm lang, 49 cm breed en 74 cm hoog en weegt 220 kg.

Edelsmeedtechnieken[bewerken]

Het schrijn is bekleed met verguld koper, waarin reliëfvoorstellingen zijn aangebracht en dat versierd is met onder andere hamer- en drijfwerk, filigraan, emailleerwerk, bruinvernis, bergkristallen, edelstenen, cabochons en antieke gemmen. Bij het modelleren van de grotere figuren en reliëfs werd gebruik gemaakt van een wasachtige vulmassa, die het drijfwerk een zekere stabiliteit moest geven. Uit kunsthistorische analyse van het giet- en smeedwerk blijkt dat er minstens twee kunstenaars aan het schrijn gewerkt hebben; de een wellicht iets begaafder dan de ander. De zogenaamde 'Paulusmeester' slaagde er het best in zijn figuren individuele trekken mee te geven en was vaardiger met het vernis brun.

Iconografie[bewerken]

De talrijke reliëfs op de Noodkist verbeelden iconografisch het Laatste Oordeel. Christus en Sint-Servaas, die op de gevelstukken zijn afgebeeld, spelen daarbij een sleutelrol. Op de lange zijden van het schrijn zijn de twaalf apostelen als mederechters afgebeeld. De lange 'zijgevel' ter rechterzijde van Christus wordt de 'Petruszijde' genoemd, de tegenoverliggende gevel de 'Pauluszijde'. De bijbehorende dakvlakken worden respectievelijk 'Misericordiazijde' en 'Veritaszijde' genoemd. Op het dak zijn reliëfs van de uitverkorenen en de verdoemden te zien, omringd door engelen. De juiste lezing van de tekst uit Matteüs hoofdstuk 25 vers 35-45, doorlopend op de boven- en onderranden van de dakvlakken, is van essentieel belang voor het begrijpen van de iconografie.[notes 2] De interpretatie van deze teksten is ontleend aan de gangbare theologische inzichten in de 12e eeuw, met name de theologie van Rupert van Deutz.[18]

Gevelstukken[bewerken]

Over de oorspronkelijke oriëntering van de Noodkist bestaat geen overeenstemming: de Duitse kunsthistorica Renate Kroos meent dat de Christuszijde naar het volk (= het westen) gekeerd was; de Nederlandse kunsthistoricus Fred Ahsmann denkt dat dit de Servaaszijde moet zijn geweest.[19] Op laatstgenoemd gevelstuk staat Sint-Servaas afgebeeld, geflankeerd door twee engelen. De linker engel hield oorspronkelijk een bisschopsstaf vast, de rechter engel houdt een boek open met de tekst Indue inmortalitatem.[notes 3] Op de tegenoverliggende gevel is de tronende Christus als opperste rechter afgebeeld. Christus houdt een opengeslagen boek vast met de tekst Ecce venio cito et merces mea.[notes 4] Aan weerszijden van de Christusfiguur een Alpha en Omega en een Boom des Levens.[20]

Petruszijde[bewerken]

De Petruszijde toont, paarsgewijs onder een dubbele arcade, de apostelen Petrus en Andreas, Matteüs en Tomas, en Judas Taddeüs en Simon. Op het dak zijn in drie medaillons de uitverkorenen afgebeeld, die banieren vasthouden waarop teksten staan uit Matteüs hoofdstuk 25, vers 37-39.[notes 5] Aan weerszijden en tussen de medaillons bevinden zich reliëfs van engelen met bazuinen, engelen die de uitverkorenen kleden en Misericordia die hen kronen uitreikt.[21]

Pauluszijde[bewerken]

De andere zijde van het schrijn toont, eveneens paarsgewijs, de apostelen Paulus en Jakobus de Meerdere, Johannes en Bartholomeüs, en Jakobus de Mindere en Filippus. Op het dak zijn in drie medaillons de verdoemden afgebeeld met min of meer dezelfde vragen als op de andere zijde, maar nu met de toevoeging van het woordje "non" (niet) en op donkere in plaats van lichte banieren. Daarnaast en daartussen opnieuw engelen met bazuinen, Veritas die de goede werken van de verdoemden weegt en engelen die hen het doopkleed ontnemen.[21]

Inhoud Noodkist[bewerken]

Het openen van de Noodkist door bisschop Hanssen (bioscoopjournaal, 19-1-1958)

De Noodkist is bij verschillende gelegenheden geopend. Hoe vaak dit in de middeleeuwen gebeurde, is niet bekend. In elk geval moet rond 1403 de schedel van Sint-Servaas zijn verwijderd, aangezien die toen in een zilveren reliekbuste werd geplaatst (zie borstbeeld van Sint-Servaas). In 1611, 1634 en 1655 werd de kist opnieuw geopend en de inhoud gedocumenteerd. Er werden relikwieën aangetroffen van Sint-Servaas en Martinus van Tongeren. Sommige relieken waren in kostbare Oosterse stoffen gewikkeld. Een groot deel van de waardevolle textielschat in de schatkamer is afkomstig uit de Noodkist. Na 1655 bleef de kist meer dan twee eeuwen gesloten. Pas in 1863 werd de inhoud van het schrijn aan een zorgvuldig onderzoek onderworpen. Voorafgaand aan de restauratie van begin jaren zestig werd de kist in 1958 opnieuw geïnspecteerd. De laatste keer dat de Noodkist werd geopend was op 21 september 1985, toen hulpbisschop Alphons Castermans een reliek afkomstig uit een klooster in Koblenz bijplaatste.[22]

Brusselse pendanten[bewerken]

Noodkist-pendanten in Brussel
Kopieën van de Brusselse Noodkist-pendanten in Maastricht

In de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel bevinden zich vier verguld koperen reliektafels, die oorspronkelijk bij de Noodkist behoorden. Deze vier pendanten bevatten relieken van de heiligen Monulfus, Gondulfus, Candidus en Valentinus, die volgens sommige bronnen echter pas in de 17e eeuw in deze reliekhouders zijn geplaatst.[23] De pendanten zijn iets kleiner, maar hebben dezelfde vorm als de gevelstukken van de Noodkist en zijn ook op dezelfde manier bewerkt en versierd. De reliektafels van Monulfus en Gondulfus lijken onderling het meest op elkaar: twee bisschoppen kijken vanuit hun graf omhoog naar een engelenpaar dat gereed staat om hun de hemelkroon aan te reiken. De heilige Candidus is als tronende priester met gesloten boek en palmtak afgebeeld. De gegoten kam (sierrand) van deze reliektafel lijkt sterk op die van de Noodkist. De vierde reliektafel, die van Valentinus, wijkt af van de andere drie en is wellicht een latere assemblage, hoewel het reliëf met het portret van de heilige en de geëmailleerde plaatjes in vierpas-motief met engelenfiguren weer ouder kunnen zijn.[24] Qua stijlkenmerken lijken de vier Brusselse pendanten niet alleen op de Noodkist, maar wellicht nog meer op het Akense Karlsschrein.[25]

De oorspronkelijke opstelling van de Noodkist en de bijbehorende reliektafels was mogellijk als volgt (van links naar rechts):[26]

  1. Gondulfus-pendant (kerkenbouwer, samen met Monulfus)
  2. Valentinus-pendant (voorganger Sint-Servaas als bisschop van Tongeren)
  3. Noodkist (Sint-Servaas)
  4. Candidus-pendant (opvolger van Sint-Servaas, volgens Heriger van Lobbes)
  5. Monulfus-pendant (grondlegger van de Sint-Servaaskerk)

De schatkamer van de Sint-Servaaskerk bezit kopieën van de pendanten, die in 1888 door de firma Wilmotte in Luik werden vervaardigd. In 1972, tijdens de tentoonstelling Rhein und Maas in Keulen, was het complete ensemble nog eenmaal in de originele opstelling te aanschouwen.

Kunsthistorische betekenis[bewerken]

Detail van het Karelschrijn in de Dom van Aken, kunsthistorisch verwant met de Noodkist

De Noodkist wordt gezien als één van de hoogtepunten van de Maaslandse edelsmeedkunst en een voorbeeld van de renaissance van de twaalfde eeuw. Kunsthistorici hebben verwantschap vastgesteld tussen de Noodkist, twee reliekschrijnen in Hoei (het Domitianusschrijn en het Mengoldschrijn),[27] het Hadelinusschrijn in Wezet,[28] het Heribertschrijn in Keulen-Deutz,[29] het Karelschrijn in Aken,[30] de armreliekhouder van Karel de Grote (thans in het Louvre),[31] een reliekgevel behorend bij het Odaschrijn te Amay (thans in het British Museum in Londen),[30] de zogenaamde Staurotheek van Sainte-Croix in Luik (Curtiusmuseum)[32] en het Pinksterretabel en Remaclusretabel, beide uit Stavelot (het ene in het Musée Cluny in Parijs; het andere in The Cloisters in New York).[33] Door enkele auteurs is Godfried van Hoei genoemd als meester-edelsmid bij de totstandkoming van de Noodkist, maar daarover valt niets met zekerheid te zeggen.[34]

Trivia[bewerken]

  • Voorafgaand aan de restauratie van de Noodkist in 1960-62 werd de kist in 1958 aan een inspectie onderworpen, waarbij ook een pakketje zeer dunne botjes werd aangetroffen, die onmogelijk van een mens konden zijn. Na onderzoek door een zoöloog bleken de botjes van een vleermuis te zijn. Er zat een briefje uit 1611 bij, waarop stond dat men deze nog in de oude sarcofaag van Sint-Servaas had aangetroffen.[35]
  • De laatste keer dat de Noodkist zijn naam eer aandeed en in processie door de stad gedragen werd, was tijdens een bidweg voor de vrede in 1991 aan het begin van de Golfoorlog.
  • In de roman Apostel van Tricht van Paul Sterk uit 2011 zijn de hoofdpersonen gedwongen in een post-apocalyptisch Maastricht te overleven en komt de redding uiteindelijk vanuit de Noodkist.

Externe links[bewerken]