Priorij Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hove



De Priorij Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hove (ook bekend als het Rattenkasteel) was een cisterciënzerpriorij gelegen in Waarschoot. Nadat de monniken verdreven werden, werd de priorij verwoest.
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]In 1444 werd de priorij gesticht door Simon van Uytenhove, een Gentse patriciër die de benodigde gronden schonk. In 1449 werd de gemeenschap geïncorporeerd in de orde der cisterciënzers. Ook Simon van Uytenhove trad toe tot de orde: hij legde zijn lekenstatus af en legde de religieuze geloften af. Na zijn overlijden werd hij in de kloosterkerk vóór het altaar begraven. De monastieke gemeenschap stond onder de obediëntie van de abten van Kampen en van Waarmonde (Nederland). Pas vanaf 1530 ressorteerde zij onder het gezag van de abt van de Abdij van Boudelo in het Waasland. Vanaf dat moment werden de priors doorgaans verkozen uit monniken afkomstig uit het Waasland.[1] Jacob de Draeyere was de eerste in Waarschoot verkozen prior afkomstig uit de Abdij van Boudelo. In 1550 werd hij tot abt van Baudeloo verkozen, waarna hij de priorij verliet.
In 1499 werd de priorij vernield door Franse troepen en nadien heropgebouwd, waarbij grachten, heggen en een poortgebouw werden aangelegd ter versterking van de veiligheid. Tegen het einde van de vijftiende eeuw brak een periode van relatieve stabiliteit aan, waarin onder meer een Latijnse school werd opgericht.Vanaf 1513 zette het kapittel, onder leiding van prior Joannes Ferniers, de herbouw van de conventsgebouwen voort; tevens werd in deze periode de nieuwe kloosterkerk ingewijd met drie altaren. In de jaren 1578–1581 werd de priorij, tijdens het prioraat van Filips de Stercke, opnieuw vernield door de geuzen, die de streek in deze periode teisterden.[1] Na diens dood werd de gemeenschap onder voogdij geplaatst van Jacob del Rio, abt van Baudeloo.
De heropbouw verliep moeizaam en in 1649 verhuisden de monniken, met instemming van prior Joost du Coron, voormalig prior van de Abdij van Duinen, naar een tijdelijke refugie in Ekkergem. Hierover ontstond een geschil tussen de priorij en haar moederklooster, aangezien het kapittel de abt van Abdij van Boudelo niet had geraadpleegd. Ten gevolge hiervan liet de abt een rechtsgeding aanspannen om zijn heerlijke en canonieke rechten te doen gelden. Het geschil werd beslecht toen de abt van Sint-Bernards aan de Schelde, in zijn hoedanigheid van vicaris-generaal der Nederlanden, blijk gaf van begrip voor de benarde positie van de gemeenschap. Ter ondersteuning van de heropbouw ontvingen zij financiële bijstand van de abt van de Abdij van Onze-Lieve-Vrouw ten Duinen, zodat zij nieuwe kloostergebouwen konden betrekken. Dit plan kon daadwerkelijk van start gaan nadat de abt van de Sint-Pietersabdij zijn approbatie had verleend, aangezien hij de heerlijke rechten in Ekkergem bezat.[1]
Het klooster te Waarschoot werd gesloopt; het priorshuis bleef evenwel behouden, werd hersteld en fungeerde voortaan als centrum voor het beheer en de exploitatie van de priorijbezittingen in de regio. Onder leiding van Prior Judocus van den Cruyce, werd er een nieuwe kerk gebouwd in 1699. Diens opvolger prior Andreas Goethals uit Gent, werd de eerste afgevaardigde in de staten van Vlaanderen.
Priors
[bewerken | brontekst bewerken]| Periode | Naam | |
|---|---|---|
| -1530 | Oliverius de Vos | |
| Jan Temmermans | ||
| Jacob de Draeyere | Werd abt van Baudeloo | |
| -1556 | Frans de Winter | |
| 1556-1559 | Joannes van Nieulande | monnik van Baudeloo |
| 1559-1559 | Joannes Hemelghem | |
| 1559-1562 | Andreas Coymans | |
| 1562-1587 | Filips de Stercke | |
| 1587-1595 | Jacob del Rio | Abt van Baudeloo |
| -1618 | Guillemus del Castillo | |
| Filips van Boonhem | werd prior van Sint-Salvators | |
| Jan vander Beke | ||
| Theodorus Pybes | ||
| Joost du Coron | ||
| -1672 | Joannes van Watervliet | |
| 1672-1695 | Joannes Richard | |
| 1695-1706 | Judocus vander Cruycen | |
| 1706-1719 | Andreas Goethals | |
| 1719-1768 | Leo Mahieu | |
| 1768-1792 | Ludovicus Wouters | |
| 1792- | Petrus Riemslach | Afegzet door Revolutionairen |
Overblijfselen
[bewerken | brontekst bewerken]In 1796 werd het klooster, tijdens het prioraat van Petrus Riemslach, door de Franse revolutionairen opgeheven. De monniken werden verdreven en de bezittingen werden in 1797 openbaar verkocht.[1]
Het uitgebreide patrimonium en de waardevolle bezittingen van de priorij, waaronder een rijk geborduurd pontificaal gewaad en een altaarstuk met wapenschild van prior Leo Mahieu, werden overgedragen aan de parochie van Waarschoot. Een deel van dit patrimonium ging echter verloren toen de parochiekerk door brand werd verwoest. Van de oude conventsgebouwen en de kapel van de monniken is niets bewaard gebleven.
Enkel het priorijhuis overleefde de Franse Revolutie en bleef gedeeltelijk bewaard, maar raakte door jarenlang wanbeheer in verval en verwordt tot een ruïne. In 1992 verkeerde het gebouw dan ook in een zeer kritieke staat. Het kreeg opnieuw bekendheid toen striptekenaar Marc Sleen de site gebruikte als inspiratie voor het album Het Rattenkasteel, waardoor de pejoratieve benaming “rattenkasteel” ingang vond in het publieke discours.
In 1995 werd het gebouw beschermd en vervolgens door de gemeente gerestaureerd. In 2014 verkocht de gemeente het priorijhuis echter opnieuw; anno 2025 is het in privébezit. De kern van dit bakstenen huis dateert uit de 15e eeuw, maar tussen de 16e en 18e eeuw vonden talrijke herstellingen en aanpassingen plaats.