Publius Decius Mus (consul in 312, 308, 297 en 295 v.Chr.)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Publius Decius Mus II)
Naar navigatie springen Jump to search

Publius Decius Mus (- bij Sentinum, 295 v. Chr.; volledige naam: P. Decius P.f. Q. n. Mus), lid van de gens Decia en zoon van Publius Decius Mus (consul in 340 v.Chr.), was een politicus en militair van de Romeinse Republiek en was vier keer consul.

Leven[bewerken]

Eerste consulaat (312 v.Chr.)[bewerken]

Publius bekleedde in 312 v.Chr. samen met Marcus Valerius Maximus (Corvinus) voor het eerst het consulaat, waarbij de nieuwe consuls werden belast met de stichting van een colonia in Interamna Lirenas.[1] Zijn collega zou een triomftocht hebben gehouden voor zijn overwinning op de Samnieten terwijl de zieke Mus in Rome achterbleef en zelfs door de aanstelling van een dictator zou zijn vervangen (aldus Livius),[2] hoewel (pseudo-)Aurelius Victor beweert dat het Mus was die een triomftocht vierde en de spolia (oorlogsbuit) aan Ceres toewijdde.[3]

In 310 v. Chr. diende hij als legatus onder de dictator Lucius Papirius Cursor bij Longulae.[4]

Tweede consulaat (308 v.Chr.)[bewerken]

In 308 v.Chr. was hij voor de tweede keer consul, ditmaal met Quintus Fabius Maximus Rullianus als collega,[5] en was tijdens zijn tweede ambtsperiode in Etruria actief, waar hij een veertigjarige wapenstilstand met Tarquinii en eenjarige met Volsinii en andere Etruskische steden sloot om vervolgens de aanvallen van Umbriërs op Rome het hoofd te bieden.[6]

In 306 v.Chr. was Decius magister equitum van de dictator Publius Cornelius Scipio Barbatus.[7]

Censuur (304 v.Chr.)[bewerken]

In 304 v.Chr. werd hij samen met Quintus Fabius Maximus Rullianus (die ook zijn collega was geweest tijdens zijn tweede consulaat en dit ook zou zijn voor zijn derde en vierde consulaat) als censor aangesteld.[8] Beiden hieven de door de censor Appius Claudius Caecus ingevoerde democratische maatregelen weer op door het beperken van de registratie van de forensis turba[9] tot de vier tribus urbanae en stelden tevens de processie van de equites in.[10]

Vanaf 300 v.Chr. was Decius, die hiervoor een hartstochtelijk pleidooi had gehouden om dit recht te bekomen (waarbij hij verwees naar de zelfopoffering van zijn vader), ook bij een van de eerste plebejers om pontifex te worden.[11]

Derde consulaat (297 v.Chr.)[bewerken]

In 297 v.Chr. was Decius opnieuw samen met Rullianus consul[12] en behaalde een overwinning op de Apuliërs bij Maleventum.[13]

Zijn imperium werd het jaar daarop voor zes maanden geprorogeerd (verlengd), zodat hij als proconsul zijn militaire expeditie in Samnium kon voortzetten.[14] Hij nam (volgens Livius) Murgantia, Romulea en Ferentinum in, al zijn deze overwinningen (ook bij Titus Livius) niet duidelijk in de bronnen te onderscheiden.[15]

Vierde consulaat (295 v.Chr.) en dood[bewerken]

In 295 v.Chr. bekleedde Decius voor de vierde keer het consulaat.[16] Hij voerde samen met zijn collega Rullianus het Romeinse leger aan tegen Samnieten en Senonen in de slag bij Sentinum. In deze slag wijdde Decius, die net als zijn vader ook een "Kodrisch" orakel te horen kreeg (d.i. een orakel dat een nederlaag voorspelt indien een bepaald persoon niet sneuvelt), naar het voorbeeld van zijn gelijknamige vader zijn leven aan de goden (devotio), en zoals ook zijn gelijknamige zoon in 279 v.Chr. zou doen.[17] Dit werd in de Fasti Capitolini (officiële annalen) vermeld met de woorden dat hij occisus est (gedood is).[18]

Nalatenschap[bewerken]

Het verhaal van Publius Decius Mus zou door Lucius Accius tot een fabula praetexta, getiteld Aeneadae sive Decius, worden verwerkt. Ook Valerius Maximus zou Decius als een te volgen voorbeeld aanprijzen in zijn Facta et dicta memorabilia.

Ook na de oudheid bleef Decius een voorbeeld van zelfopoffering en moed. Hij zou dan ook in de late middeleeuwen en renaissance regelmatig worden afgebeeld met andere grote Romeinen. De Zwitserse medailleur Jean Dassier wijdde aan zijn vader en hem een medaillon in zijn serie Histoire de la République romaine (1740-1743).

Noten[bewerken]

  1. Livius, Ab Urbe condita IX 28.8, Diodoros van Sicilië, Bibliotheca historica XIX 105.1, Fasti Captolini, Frontinus, De Aquis I 5, Chronograaf van 354, Fasti Hydatiani, Chronicon Paschale, Cassiodorus.
  2. Livius, Ab Urbe condita IX 29.3, Fasti triumphales (p. 96).
  3. De viris illustribus urbis Romae 27.1.
  4. Livius, Ab Urbe condita IX 40.12-13, 21.
  5. Livius, Ab Urbe condita IX 41.1, Diodoros van Sicilië, Bibliotheca historica XX 37.1, Fasti Capitolini, Chronograaf van 354, Fasti Hydatiani, Chronicon Paschale, Cassiodorus.
  6. Livius, Ab Urbe condita IX 41. Vgl. Diodoros van Sicilië, Bibliotheca historica XX 44.8-9, (pseudo-)Aurelius Victor, De viris illustribus urbis Romae 27.2.
  7. Livius, Ab Urbe condita IX 44.1-2, Fasti Capitolini ([--] Mus).
  8. Livius, Ab Urbe condita IX 46.14, X 22.3, 24.1, Fasti Capitolini (p. 48: [--] N. n. Maxim. Rullianu[s], P. Decius P.f. Q. n. Mus).
  9. (pseudo-)Aurelius Victor, De viris illustribus urbis Romae 32.2.
  10. Livius, Ab Urbe condita IX 46.14-15, Valerius Maximus, Facta et dicta memorabilia II 2 § 9, (pseudo-)Aurelius Victor, De viris illustribus urbis Romae 32.3, Lucius Ampelius, Liber memoralis 18.6. Vgl. Plutarchus, Pompeius 13.5.
  11. Livius, X 6-9.2.
  12. Livius, Ab Urbe condita X 13.13, 14.1, Fasti Capitolini (p. 48: [---- Mus II]I), Chronograaf van 354 (Rulliano IIII et Mure), Fasti Hydatiana (Rullo III et Musone III), Auct., Vir. Ill. 27, Chronicon Paschale (Ῥούλλου τὸ γ´, καὶ Μαύσωνος τὸ γ´), Cassiodorus.
  13. Livius, Ab Urbe condita X 15.1-5.
  14. Livius, Ab Urbe condita X 16.1.
  15. Livius, Ab Urbe condita X 17, 18.9, 20.2.
  16. Livius, Ab Urbe condita X 22.9, Fasti Capitolini (p. 50), Chronograaf van 354 (Rulliano V et Mure IIII), Fasti Hydatiana (Rullo V et Musone V), Chronicon Paschale, Cassiodorus.
  17. Livius, Ab Urbe condita X 26-30, Duris in Diodoros van Sicilië, Bibliotheca historica XXI 6.1, Cicero, Pro P. Sestio 11.13, 13.27, De natura deorum II 10, III 15, De officiis III 16, De divinatione I 51, De finibus bonorum et malorum II 61, Tusculanae disputationes I 89, II 59, Cato maior de senectute 43, 75, Paradoxa Stoicorum I 12, Diodoros van Sicilië, Bibliotheca historica XXI 6.1, Fasti Captolini, Velleius Paterculus, Historia Romana I 14.6, Valerius Maximus, Facta et dicta memorabilia V 6 § 6, Plinius maior, Naturalis historia XXVIII 12, Frontinus, Strategemata I 8.3, IV 5.15.
  18. Fasti Capitolini (p. 50).

Bronvermelding[bewerken]

Referenties[bewerken]

  • E.W. Braun, art. Decius Mus, in Reallexikon zur Deutschen Kunstgeschichte, III, Stuttgart, 1954, coll. 1121–1125.
  • T.R.S. Broughton, The Magistrates of the Roman Republic, I, New York, 1951, pp. 159, 163, 164, 166, 167-168, 172, 175, 176, 177.
  • H.G. Gundel, art. Decius (I 6), in Der Kleine Pauly 1 (1964), coll. 1410-1411.
  • art. Decius Mus, in E.M. Moormann - W. Uitterhoeve, Van Alexandros tot Zenobia. Thema's uit de klassieke geschiedenis in literatuur, muziek, beeldende kunst en theater, Nijmegen, 19983.
  • Decius, in H. Pinkster (ed.), Latijn/Nederlands Woordenboek, Amsterdam, 2005².
  • A. van Hooff, Zelfdoding in de antieke wereld. Van autothanasia tot suicide, Nijmegen, 1990, pp. 76, 285.

Externe link[bewerken]