Rechterlijk activisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Met rechterlijk activisme wordt een rechter of rechtbank bedoeld die meer de wil vertoont om wettelijk of overheidshandelen ongeldig te verklaren.[1] Dit concept is dus ruimer dan het strikte toetsingsrecht, waarbij een rechter nagaat in hoeverre een wet, besluit of maatregel in overeenstemming is met een wet van een hogere orde zoals een grondwet of een verdrag.

Definities[bewerken]

Tim Koopmans definieert rechterlijk activisme als “de autonomie die de rechter zich toekent ten opzichte van het politiek gezag: hij is activistischer naargelang hij zich minder gelegen laat liggen aan standpunten en houdingen ingenomen door andere staatsorganen.” Met “staatsorganen” worden dan zowel de wetgever als de regering of de administratie bedoeld.[2]

Jurist Aernout Nieuwenhuis schrijft: “Een activistische rechter beperkt zich niet tot de rol die hem ten opzichte van de andere machten is toegewezen, maar gaat op de stoel van de wetgever zitten of op die van het bestuur.”[3]

Geschiedenis[bewerken]

De tweespalt tussen gerecht en uitvoerende macht gaat mogelijk terug tot het Ancien régime, toen rechters zich een verregaande bevoegdheid toekenden om de koninklijke wet te interpreteren. De Franse Revolutie stelde daar het concept van de strikte scheiding der machten tegenover.

De Angelsaksische wereld steunt vaak op het baanbrekende arrest Marbury v. Madison van het Hooggerechtshof van de VS uit 1803, toen het Hof zich het recht toeëigende de wet, en overheidsbesluiten in het algemeen, te toetsen aan de grondwet.

In Frankrijk introduceerde jurist Edouard Lambert het begrip Gouvernement des juges, een term die ook in Vlaanderen wel eens wordt gebruikt, meestal in afkeurende of kritische zin.[4]

Rechterlijk activisme in de wereld[bewerken]

Europese Unie[bewerken]

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens velde in het begin van de 21e eeuw enkele opmerkelijke arresten, schijnbaar in het voordeel van criminelen en terreurverdachten. Dit leidde in de lidstaten, en met name in Groot-Brittannië, tot veel kritiek, en het afkalven van het draagvlak voor het Hof. In 2012 werd, onder impuls van de Britten, het principe van subsidiariteit en appreciatiemarge (van de lidstaten) expliciet in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ingeschreven. Vanaf 2010 blijkt het Hof zich dan ook terughoudender op te stellen, en minder gemakkelijk te oordelen tegen de nationale overheden. Ook de komst van enkele conservatievere rechters speelde hierin mee.[5][6]

Ook bij het Europees Gerecht zou de eigen opinie van de rechters meespelen. Rechters die zelf eerder overheidsgezind zijn, veroordelen bedrijven sneller voor inbreuken op regels rond mededinging en staatssteun, zo bleek uit onderzoek aan de Leuvense Universiteit over de periode 2003-2013.[7]

België[bewerken]

In België ontstond eind 2018 een controverse rond het VN-Migratiepact: sommige conservatieve politici vreesden dat “activistische rechters” de rechten van migranten al te ruim zouden interpreteren.[6] Rechters kwamen kort nadien opnieuw in het vizier naar aanleiding van een kortgeding voor repatriëring van kinderen uit IS-kringen in Syrië, van wie de moeders in België een veroordeling opliepen.[8]

Zie ook[bewerken]