Samenstelling Tweede Kamer 1868-1871

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De samenstelling van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1868-1871 biedt een overzicht van de Tweede Kamerleden in de periode na de Tweede Kamerverkiezingen van 22 januari 1868. De zittingsperiode ging in op 25 februari 1868.

Nederland was verdeeld in 39 kiesdistricten.[1] Om een district te winnen moest een kandidaat de absolute meerderheid van uitgebrachte stemmen verwerven. Indien nodig werd een tweede verkiezingsronde gehouden tussen de twee hoogstgeplaatste kandidaten uit de eerste ronde. Om de twee jaar werd de helft van de Tweede Kamer vernieuwd, om die reden vonden op 8 juni 1869 periodieke verkiezingen plaats.

Gekozen bij de verkiezingen van 22 januari en 4 februari 1868[bewerken | brontekst bewerken]

Liberaal (21 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatieven (19 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Thorbeckianen (18 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-Katholieken (8 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-Liberaal (3 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-Protestants (3 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Antirevolutionairen (3 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Bijzonderheden[bewerken | brontekst bewerken]

  • In 8 kiesdistricten was een herverkiezing nodig vanwege het niet-behalen van de absolute meerderheid door de hoogst geëindigde kandidaat. Deze tweede ronde werd op 4 februari 1868 gehouden.
  • Normaal gezien had ook in het kiesdistrict Amsterdam een herverkiezing moeten plaatsvinden, maar de twee overgebleven kandidaten, Johan Rudolph Thorbecke (thorbeckianen) en Pieter Philip van Bosse (liberalen), opteerden voor respectievelijk Assen en Dordrecht en bedankten voor de tweede stemronde. Als gevolg hiervan werd op 13 februari 1868 een tussentijdse verkiezingen gehouden in Amsterdam, waarbij Jan Heemskerk Bzn. (thorbeckianen) werd verkozen.
  • Willem Hendrik Dullert (thorbeckianen) raakte verkozen in twee kiesdistricten, Arnhem en Groningen. Hij opteerde voor Arnhem, als gevolg hiervan vond op 20 februari 1868 een nieuwe verkiezing plaats in Groningen, waarbij Johan Herman Geertsema Czn. (liberalen) werd verkozen.
  • Jeronimo de Bosch Kemper (conservatief-liberalen) raakte verkozen in twee kiesdistricten, Hoorn en bij de tweede stemronde eveneens in Haarlem. Hij opteerde voor Hoorn, als gevolg hiervan vonden op 25 februari en 10 maart 1868 verkiezingen plaats in Haarlem. In de tweede stemronde werd Daniël Koorders (conservatieven) verkozen. Hij werd op 14 maart 1868 geïnstalleerd.

Tussentijdse mutaties[bewerken | brontekst bewerken]

1868[bewerken | brontekst bewerken]

  • 2 maart: Jan Freerks Zijlker (liberalen) overleed. Vanwege problemen met zijn gezondheid was hij na de verkiezingen van 22 januari 1868 nog niet formeel geïnstalleerd. Op 31 maart en 14 april dat jaar werden tussentijdse verkiezingen gehouden in Appingedam. In de tweede stemronde werd Derk de Ruiter Zijlker verkozen, die op 21 april 1868 werd geïnstalleerd.
  • 3 juni: Pieter Philip van Bosse (liberalen) nam ontslag om minister van Financiën te worden in het kabinet-Van Bosse-Fock. Als gevolg hiervan werden op 23 juni en 7 juli dat jaar tussentijdse verkiezingen gehouden in Dordrecht. In de tweede stemronde werd Marinus Bichon van IJsselmonde (antirevolutionairen) verkozen, die op 22 september 1868 werd geïnstalleerd.
  • 17 november: Gerrit Simons (conservatieven) overleed. Daarom werden op 15 en 29 december dat jaar tussentijdse verkiezingen gehouden in Gorinchem. In de tweede stemronde werd Jan Heemskerk Azn. verkozen, die op 9 februari 1869 werd geïnstalleerd.

1869[bewerken | brontekst bewerken]

1870[bewerken | brontekst bewerken]

  • 13 januari: Michel Henry Godefroi (liberalen) nam ontslag om persoonlijke redenen. Bij een tussentijdse verkiezing op 8 februari dat jaar in Amsterdam werd Gerlach Cornelis Joannes van Reenen (conservatieven) verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 21 februari 1870 geïnstalleerd.
  • 23 juli: Willem Jan Knoop (liberalen) vertrok uit de Tweede Kamer omdat hij als officier in actieve dienst trad naar aanleiding van de mobilisatie met betrekking tot de Frans-Duitse Oorlog. Om die reden werden op 16 en 30 augustus dat jaar tussentijdse verkiezingen gehouden in Alkmaar. In de tweede stemronde werd Knoop verslagen door Cornelis van Foreest (conservatief-protestanten), die op 20 september 1870 werd geïnstalleerd.
  • 26 augustus: Johannes Baptista Bots (thorbeckianen) nam ontslag vanwege zijn herbenoeming tot kantonrechter in Helmond. Bij een tussentijdse verkiezing op 20 september dat jaar in Eindhoven werd Bots herkozen, waarna hij op 27 september 1870 werd geïnstalleerd.
  • 17 september: Gerrit Adriaan Fokker (thorbeckianen) vertrok uit de Tweede Kamer. Bij een tussentijdse verkiezing op 11 oktober dat jaar in Middelburg werd Johannes Tak van Poortvliet (liberalen) verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 21 oktober 1870 geïnstalleerd.
  • 3 oktober: Cornelis van Foreest (conservatief-protestants) nam ontslag omdat hij zijn voorganger Willem Jan Knoop de kans wilde geven om zich opnieuw verkiesbaar te stellen. Knoop wilde echter niet ingaan op het voorstel van Foreest en nadat Foreest bij de tussentijdse verkiezing in Alkmaar op 23 oktober 1870 zijn tegenkandidaat versloeg, werd hij op 8 november dat jaar geïnstalleerd.

1871[bewerken | brontekst bewerken]

  • 3 januari: Pieter Blussé van Oud-Alblas (thorbeckianen) nam ontslag om minister van Financiën te worden in het kabinet-Thorbecke III. Bij een tussentijdse verkiezing op 31 januari dat jaar in Dordrecht werd Jan Pieter Bredius verkozen, die op 28 februari 1871 werd geïnstalleerd.
  • 4 januari: Johan Rudolph Thorbecke (thorbeckianen) nam ontslag om minister van Binnenlandse Zaken te worden in het kabinet-Thorbecke III. Bij een tussentijdse verkiezing op 31 januari dat jaar in Assen werd Hendrik Jan Smidt (liberalen) verkozen, die op 3 maart 1871 werd geïnstalleerd.
  • 18 maart: Karel Lodewijk Joseph Cornelis (thorbeckianen) nam ontslag vanwege zijn herbenoeming tot officier van Justitie bij de arrondissementsrechtbank van Roermond. Bij een tussentijdse verkiezing op 11 april dat jaar werd Cornelis verslagen door Jan Hendrik Arnoldts (conservatief-katholieken), die op 18 april 1871 werd geïnstalleerd.
  • 20 mei: Jacob Kalff (conservatieven) nam ontslag. Bij de algemene verkiezingen van 13 juni 1871 werd Barend Brouwer (liberalen) in Almelo verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 24 juni dat jaar geïnstalleerd.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]