Spatkracht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
1) grote spatkrachten met flauwe boog.
2) kleine spatkrachten met spitse boog

Een spatkracht is de zijdelingse of horizontale kracht die door onder meer bogen, gewelven, portalen en sluisdeuren op een steunpunt wordt uitgeoefend.

Een boog bijvoorbeeld drukt met een bepaalde kracht, als gevolg van diverse belastingen, op de aanzetsteen die met eenzelfde reactie terug duwt. Deze schuine kracht kan worden ontbonden in een horizontale en verticale kracht, de horizontale kracht noemen we de spatkracht. Hoe steiler de boog, hoe kleiner de spatkracht en hoe groter de verticale kracht, die makkelijker naar de fundering kan worden afgeleid.

Bij als puntdeur uitgevoerde sluisdeuren moet de horizontale waterdruk tegen de deur opgenomen worden door muur van de schutkolk, zowel in langs- als dwarsrichting (= de spatkracht).

Worden er geen maatregelen getroffen om de spatkrachten op te nemen, dan ontstaat schade aan het gebouw waar de spatkrachten zich voordoen. De spatkracht bij bogen en gewelven kan worden opgenomen door trekstangen of muurverzwaringen in de vorm van steunberen of luchtbogen die de krachten overbrengen naar de steunbeer. De spatkrachten die bij koepels ontstaan, kunnen worden opgenomen door een ringbalk.

De Romeinen kenden dit fenomeen; bij bruggen werden zware blokken naast de boog gestapeld. Het plaatsen van een andere boog, zodat de spatkrachten van de twee bogen elkaar opheffen, werd ook toegepast. De koepel van de Sint-Pietersbasiliek had enkele eeuwen te kampen met spatkrachten: de stenen aan de onderkant vertoonden scheuren. Dit werd hersteld door het extern aanbrengen van (voorgespannen) ijzeren trekbalken.

Bij gotische kerken worden de spatkrachten van het middenschip opgevangen door de lagere zijbeuken, waarnaast de steunberen de spatkrachten van die zijbeuken opvangen. De uitvoering van de gotische kerken blijkt na eeuwen zo degelijk, dat voor de bouw berekeningen moeten zijn gemaakt. ( zie grafostatica )

Een simpel dakspant met twee spantbenen staat meestal op een balk met inkepingen, waarin de hielen van de spantbenen passen. Daardoor worden de spatkrachten opgevangen. De balk wordt soms plat op een balklaag gelegd, waardoor hij trekplaat wordt genoemd.