Toonsoort

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Er zijn binnen de tonaliteit, de tonale muziek, sinds de Klassieke Oudheid drie toongeslachten: het diatonische, chromatische en enharmonische. Bijv. in het diatonische toongeslacht maakt men gebruik van tetrachorden met diatonisch elkaar opvolgende secunden.

Elk toongeslacht kent verschillende toonsoorten of modi. Bijv. In de westerse tonale muziek zegeviert het diatonische toongeslacht, dat bestaat uit verschillende toonsoorten of modi zoals de gregoriaanse kerkmodi (waaronder ook de ionische die we nu gewoon majeur noemen) en mineur harmonisch (een afgeleide van de eolische door de zevende trap verhoogd), met soms een melodisch stijgende (zesde en zevende trap verhoogd) of melodisch dalende (zoals de eolische) wending. De typische eigenschappen van een toonsoort geven aan de muziek een specifiek karakter.

We gebruiken de term toonaard om de toonladder in een bepaalde toonsoort op een absolute toon (op een toonhoogte) weer te geven. Bijv. de toonsoort majeur beginnende op de toonhoogte fa is de toonaard F majeur of Fa majeur. Men kan i.p.v. majeur ook groot of grote-tertstoonladder zeggen. Het is de aard van de stemming die het karakter bepaalt van de voortekening.[1]

Benaming[bewerken | brontekst bewerken]

De toonsoort wordt, ook in een Nederlandstalige tekst, vaak aangeduid met de Franse of Duitse benaming. De benamingen zijn:

Duits dur moll
Nederlands grote terts, groot, majeur kleine terts, klein, mineur
Engels Major Minor
Frans majeur mineur

Al deze benamingen kunnen gecombineerd worden met de Nederlandse naam van het tooncentrum. Dan zeg je de toonaard. De toonaard is de bouw van een toonladder in een toonsoort (hier binnen het diatonische toongeslacht) op een absolute toonhoogte. Hieronder volgt een tabel van de belangrijkste tooncentra in andere talen, waarbij vooral voorzichtigheid is geboden bij de Duitse B.

Duits A B H C D Es E F Fis G As
Nederlands Bes B
Engels B flat E flat F sharp A flat
Frans la si bémol si ut mi bémol mi fa fa dièze sol la bémol

Naast deze twee toonsoorten zijn er ook nog enkele oude kerkmodi of kerktoonsoorten, zigeunertoonladders en nog vele andere in de microtonale muziek en niet-westerse muziek (en dan ook niet binnen het diatonische toongeslacht).

Bij het benoemen van een grote-tertstoonladder gebruikt men in het Nederlands en in het Duits hoofdletters en bij kleine-tertstoonladder kleine letters. De toevoeging "grote terts" of "kleine terts" is daardoor in deze talen niet noodzakelijk, maar wordt meestal toch expliciet vermeld.

Tegenwoordig, met name in popmuziek-akkoordenschema's, is het ook gebruikelijk om de Engelse notitie aan te houden, waarbij de grondtoon altijd met een hoofdletter aangeduid wordt en slechts het toongeslacht met m voor mineur en M voor majeur aangeduid wordt.

In het Frans schrijft men meestal een kleine letter (ut, ré, mi), maar het komt ook wel voor dat de Fransen een hoofdletter gebruiken voor majeur.

De naam van elke toonaard volgt deze achtergrond. Met bijvoorbeeld de toonaard a-klein wordt bedoeld: de mineurtoonsoort met als grondtoon van de toonladder de toonhoogte la.

Een toonaard schrijf je met behulp van een toonladder.

Door middel van voortekens wordt in de traditionele muzieknotatie het toonmateriaal vastgelegd. Een toonaard met drie mollen geeft verlagingen van de B, E en A aan, waarmee doorgaans de toonaarden c-klein en Es-groot genoteerd worden. In theorie kan men onbeperkt veel voortekens gebruiken, maar in de regel gaat men niet verder dan zes voortekens. De prelude en fuga nummer III uit Das wohltemperierte Klavier, bijvoorbeeld, is geschreven in Cis (zeven kruisen) maar wordt ook vaak in Des (vijf mollen) uitgegeven. Qua klank maakt dat door de gelijkzwevende stemming geen verschil.

Karakter[bewerken | brontekst bewerken]

Hector Berlioz en Richard Strauss schreven in hun instrumentatieleer het volgende over het karakter van elke toonaard (een toonsoort gekoppeld aan een toonhoogte als tonica). Natuurlijk zijn deze aanduidingen relatief: een treurige melodie in G klinkt uiteraard niet "nogal vrolijk". In de welgetempereerde stemming liggen alle afstanden tussen alle opeenvolgende hele en halve noten ongelijk van elkaar in tegenstelling tot de gelijkzwevende stemming. Hierdoor kan het voorkomen dat een dezelfde noot een ander gevoel oproept bij een ander muziekstuk als deze in een andere toonaard staat. (Deze noot is dan subtiel onreiner in relatie tot de grondtoon van de compositie.) Er is in de vroegere stemmingen van reine octaven en kwinten namelijk een Pythagoreïsch komma verschil in toonhoogte tussen bijvoorbeeld een reine Fis en een reine Ges. De kleur van een muziekstuk wordt in de welgetemperde stemming naast de akkoord-opvolgingen en/of melodie bepaald door de grondtoon van de precieze ladder. In onderstaande tabel hebben de ongebruikelijke toonsoorten (meer dan zeven voortekens) een donkere achtergrond. De karakteromschrijvingen zijn van toepassing op de welgetempereerde stemming, in de tegenwoordig gebruikelijke evenredig zwevende stemming zijn de genoemde klankkleurkarakteristieken niet van toepassing.

majeur # / ♭ karakter   mineur # / ♭ karakter
Ces 7♭ edel, maar niet zo hel klinkend ces 10♭ -
C geen ernstig, maar mat en somber c 3♭ duister, weinig helder klinkend (dof dus)
Cis 7# minder somber, opvallender cis 4# tragisch, helder klinkend, voornaam
Des 5♭ majestueus, romantisch klinkend des 8♭ duister, weinig helder klinkend
D 2# opgewekt, rumoerig, maar wat gewoontjes d 1♭ klagelijk, helder klinkend, wat gewoontjes
Dis 9# mat dis 6# mat
Es 3♭ majestueus, tamelijk hel klinkend, zacht ernstig es 6♭ zeer somber en treurig
E 4# glanzend, stralend, edel e 1# schreeuwerig, gewoon
Eis 11# - eis 8# -
Fes 8♭ - fes 11♭ -
F 1♭ kernachtig, krachtig f 4♭ weinig helder klinkend, duister, heftig
Fis 6# glanzend, doordringend fis 3# tragisch, helder klinkend, doordringend
Ges 6♭ minder glanzend, zachter ges 9♭ -
G 1# nogal vrolijk, maar wat gewoontjes g 2♭ zwaarmoedig, tamelijk helder klinkend, zacht
Gis 8# mat, maar edel gis 5# weinig helder klinkend, treurig
As 4♭ zacht, gesluierd, zeer edel as 7♭ zeer mat, treurig, maar edel
A 3# glanzend, voornaam, blijmoedig a geen tamelijk helder klinkend, zacht, treurig, tamelijk edel
Ais 10# - ais 7# -
Bes 2♭ edel, maar zonder glans bes 5♭ duister, mat, rauw, maar edel
B 5# edel, helklinkend, stralend b 2# zeer helder klinkend, wild, wrang, onvriendelijk, heftig
Bis 12# - bis 9# -

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]

  1. L. Verbeke - Principes van de westerse tonaal-functionele harmonie - ISBN 9789074253062