Uitvoerend Bewind

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Uitvoerend Bewind
Kabinet in Nederland Vlag van Nederland
Officieel kostuum van een lid van het Intermediair Uitvoerend Bewind van de Bataafse Republiek. Rijksmuseum Amsterdam
Officieel kostuum van een lid van het Intermediair Uitvoerend Bewind van de Bataafse Republiek. Rijksmuseum Amsterdam
Premier Voorzitters Uitvoerend Bewind
Start 22 januari 1798
Eind 16 oktober 1801
Voorganger Tweede Nationale Vergadering
Opvolger Staatsbewind
Nederlandse regering
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Het Uitvoerend Bewind regeerde de Bataafse Republiek van 1798 tot 1801. Het volgde de Tweede Nationale Vergadering op, die in twee jaar tijd moeizaam besluiten had kunnen nemen. De gewestelijke afgevaardigden moesten rekening houden met de wensen van 40.000 kiesmannen. In het najaar van 1797 was de Republiek even ver als in het voorjaar van 1795.[1] Op 22 januari 1798 vond onder leiding van Daendels een staatsgreep plaats in de Bataafse Republiek. De unitariërs, voorstander van een eenheidsstaat, lieten met behulp van de Franse ambassadeur Charles Delacroix hun politieke tegenstanders, de federalisten, arresteren.

Geschiedenis[bewerken]

De patriotten waren verdeeld over de vraag eenheidsstaat of instandhouding van de macht van de gewesten. De federalisten waren vooral bang dat Holland en Amsterdam te veel invloed zouden uitoefenen. De federalisten waren conservatief; zij waren al blij met het vertrek van de stadhouder en wilden verder geen hervormingen. Zij waren voorstanders van gewestelijke autonomie. De unitariërs daarentegen waren radicaal; de gewesten moesten worden vervangen door departementen en er moest een krachtig, democratisch en centraal bestuur komen voor de Bataafse Republiek. De moderaten van Schimmelpenninck namen een tussenpositie in; ze wilden ook een centrale staat, net als de unitariërs, maar zagen niets in een verregaande verruiming van de kieswet.

Op de vooravond, tijdens een diner in Den Haag, waarbij de belangrijkste unitariers aanwezig waren werd de putsch besproken. Samuel Iperusz. Wiselius, Quint Ondaatje, Wijbo Fijnje en Pieter Vreede waren op de hoogte gebracht en logeerden in het voormalige VOC-onderkomen. In de nacht liet de voorzitter van de Vergadering, Johannes Henricus Midderigh, in overleg met de generaals Joubert, Dumonceau en Daendels, belangrijke posten bezetten. In de ochtend werden de zeven leden van het comité voor buitenlandse zaken gevangengenomen; de overige leden werden ter vergadering opgeroepen. Tien van hen, die weigerden de geëiste verklaring af te leggen, werd bevolen te vertrekken. Twintig moderaten werden van hun lidmaatschap vervallen verklaard en op 4 februari in Huis ten Bosch gevangengezet, waar de gevangenen in de tuin konden wandelen maar niemand mochten spreken. Onder andere Jacob Blauw en Johan Valckenaer zijn toen uitgeschakeld; een groot aantal federalisten, zoals Jan Bernd Bicker, Jacob van Manen, Jan David Pasteur, Cornelis van der Hoop, Gijsbertsz. Jacob Jan Cambier, Johan Frederik Rudolph van Hooff, IJsbrand van Hamelsveld, Carel Gerard Hultman, Jacobus Kantelaar, en Court Lambertus van Beyma werden gevangengezet.[2] In totaal werden 33 man afgezet.

Alleen de leden van de Tweede Nationale Vergadering die een eed tegen het stadhouderschap, federalisme, aristocratie en anarchie aflegden, mochten lid blijven van de volksvertegenwoordiging. Die overblijvende leden vormden een Constituerende Vergadering: een parlement dat een Grondwet moest ontwerpen. Deze vergadering stelde ook een voorlopig Uitvoerend Bewind in. De ontwerp-Grondwet werd op 23 april 1798 door het volk goedgekeurd, waarbij overigens alleen tegenstanders van het federalisme mochten meestemmen. De leden van het Uitvoerend Bewind betrokken het voormalige logement van de stad Amsterdam op het Plein. Zij lieten dit logement opnieuw meubileren, kochten linnen en serviezen en richtten een feestmaaltijd aan.[3]

In overleg met Jacobus Spoors, Alexander Gogel en Joubert vertrok Daendels in mei naar Parijs. Hij had in twee weken tijd gesprekken met minister Talleyrand en Paul Barras van het Directoire. Op 12 juni 1798 's middag om drie uur vond een nieuwe staatsgreep plaats door gematigde unitariërs onder leiding van generaal Daendels. Charles Delacroix zat aan tafel met Vreede en Fijnje. Wilderink en Fokker hadden eerder die dag beloofd af te treden. De radicale leden van het Uitvoerend Bewind, Fijnje, Vreede wisten te ontsnappen door een raam en Van Langen en Delacroix werden afgezet. De leden van het "schrikbewind" werden door de procureur Felix van Maanen beschuldigd van uitzonderlijke uitgaven. Ook Abraham Staal werd gevangengezet.

De staatsgreep leidde ertoe dat de nieuwe Grondwet vanaf juli 1798 werd ingevoerd. Er kwam een Intermediair Uitvoerend bewind. Voor de diverse onderdelen van het bestuur stelde een vijf leden tellende Uitvoerend Bewind, dat op 14 augustus 1798 aantrad, acht agenten aan. Zij zijn te beschouwen als onze eerste ministers. Dit bewind bereikte binnen de kortste keren meer dan het vorige in drie jaar tijd.[bron?]

Er kwam een nieuw parlement, het Vertegenwoordigende Lichaam. Dat parlement splitste zich na de verkiezingen in twee kamers. De eerste kamer mocht wetsvoorstellen indienen, de tweede kamer kon die voorstellen alleen goed- of afkeuren. Aan het kiesrecht waren allerlei beperkingen gesteld; zo moesten kiezers kunnen lezen en schrijven, en werden zij verplicht om met een eed het federalisme af te wijzen.

De Fransen waren ontevreden over de Grondwet van 1798 en ondanks verzet van het Vertegenwoordigende Lichaam stelde het Uitvoerend Bewind in 1801 een nieuwe Grondwet op, die in een referendum werd goedgekeurd. Dat gebeurde overigens door de thuisblijvers bij de voorstemmers op te tellen. Op 16 oktober 1801 trad de nieuwe Grondwet in werking. Dit betekende tevens het einde van de Bataafse Republiek, die werd opgevolgd door het Bataafs Gemenebest.

Leden[bewerken]

Uitvoerend Bewind (22 januari 1798 - 12 juni 1798)[bewerken]

Arrestatie van Stephanus Jacobus van Langen, lid van het Uitvoerend Bewind, door een detachement militairen, op het Plein te Den Haag, op 12 juni 1798

Leden van het Uitvoerend Bewind waren:

Intermediair Uitvoerend Bewind (12 juni 1798 - 14 augustus 1798)[bewerken]

Leden van het Intermediair Uitvoerend Bewind waren:

Uitvoerend Bewind (14 augustus 1798 - 16 oktober 1801)[bewerken]

Leden van het Uitvoerend Bewind waren:

Agenten[bewerken]

  • Marine (agentschap)

Zie ook[bewerken]