Vanden winter ende vanden somer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Vanden Winter ende vanden Somer is een Middelnederlands toneelstuk. Het is het beknoptste van de vier abele spelen die vervat zijn in het Hulthemse handschrift omvattend 625 in rijm opgestelde regels. De andere abele spelen zijn Gloriant, Esmoreit en Lanseloet van Denemerken. 'Vanden Winter ende vanden Somer' is het oudste bekende allegorische toneelstuk in het Nederlands.

Het toneelstuk handelt over de zogenaamde strijd tussen de hoofd-jaargetijden (winter en somer), en hun mogelijkheden voor de liefde. De onderliggende boodschap van het stuk is dat de mens in het leven steeds zijn eigen keuzes dient te maken, zonder zich iets gelegen te laten liggen aan externe factoren zoals de seizoenen.

Het stuk wordt bij opvoering gevolgd door de sotternie (klucht) Rubben.

Rollen[bewerken]

  • Venus {godin van de liefde}
  • Die Winter (personificatie van de winter)
  • Die Somer (personificatie van de zomer)
  • Loiaert (kamp: winter) {luiaard}
  • Moyaert (kamp: zomer) {fat}
  • Clappaert (kamp: winter) {praatjesmaker}
  • Bollaert (kamp: zomer) {opschepper}
  • Die Cockien {zwerver}

Inhoud[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

De hoofdfiguren Winter en Zomer en hun respectievelijk gevolg hebben een uitgebreide en hoog oplopende discussie over de vraag welk van de twee seizoenen nu de beste uitwerking heeft op de liefde. Beiden zijn natuurlijk overtuigd van eigen goed. De winter wekt immers de behoefte aan lichamelijke warmte (Die nachte sijn lanc ... Daer wert ghespelt der minnen spel). De zomer daarentegen is de tijd bij uitstek voor zwoele gevoelens (Soe blider tijt soe blider herte). Beide seizoenen hebben enkele pleitbezorgers. De gemoederen geraken zo verhit dat tot een duel besloten wordt. Beide seizoenen zijn ervan overtuigd de ander te overwinnen, en alleen over te blijven.

Terwijl zomer en winter zich voorbereiden op het duel, vlucht Moyaert naar de godin van de liefde, Venus, en haalt haar over tussenbeide te komen, aangezien de kamp uiteindelijk om haar gaat. Inmiddels blijft het dispuut na de eerste ronde onbeslist, dus wordt besloten dat er bij de dageraad opnieuw zal worden gestreden. Venus haalt de twee strijders daarop uit elkaar. Beiden verzetten zich, maar plooien voor haar rede en het respect dat ze voor haar hebben. Zij weet de strijdende partijen aldus tot rust te brengen en komt met de voor de hand liggende conclusie dat de beide seizoenen gelijkwaardig aan elkaar zijn en niet zonder elkaar zouden kunnen bestaan.

De enige die uit de boot valt is Cockijn, die gehoopt had op de overwinning van de zomer. Teleurgesteld reist hij aan het eind naar Maastricht, om zich daar in afwachting van de zomer te warmen aan steenkolen.

Externe link[bewerken]