Voor outer en heerd

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het lied Voor outer en heerd werd door de Kempische dichter Jozef Simons geschreven en getoonzet door Armand Preud'homme. Het lied herdenkt de Boerenkrijg en wordt veelvuldig op cantussen gezongen als studentenlied.

Voor altaar en eigen haard is de moderne vertaling van de zinsnede; het drukte het verzet van de gewone Zuid-Nederlanders tegen antiklerikalisme, verdrukking van de Kerk en invasies van het eigen land uit.

Tekst[bewerken]

Geen roekeloze wagers:
Stil volk dat zich beraadt,
Aleer het zijn belagers
Manhaft te lijve gaat.
Zij wisten wat zij wilden
Toen zij tot stout verweer
De piek of zeis optilden,
Of grepen naar 't geweer

Refrein (2 ×):

Voor vrijheid en recht; ongeknecht,
Onverveerd voor outer en heerd.
Zij steunden op Oranjes:
De Nederlanden één!
En juichten toen Brittannië's
Beloofde vloot verscheen.
Kloekmoedig in de gouwen
Van Diets Zuid-Nederland.
Zijn allen sterk en trouwe.
Gesprongen in de brand

Refrein

Rollier, Corbeels, Van Gansen,
Bevochten onverveerd,
Met wisselende kansen,
Den vijand van hun heerd.
Zij kampten koen als leeuwen,
En werden z'overmand,
Hun namen staan voor eeuwen,
In 't hart van 't volk gebrand.

Refrein