Vorstendom Minden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Furstentum Minden
Onderdeeel van het Heilige Roomse Rijk
 Prinsbisdom Minden 1648 – 1815 Mark Brandenburg 
Flagge Minden.svg Minden-Bistum.PNG
Kaart
Locator Prince-Bishopric of Minden (1560).svg
Algemene gegevens
Hoofdstad Minden

Het Vorstendom Minden was een tot de Nederrijns-Westfaalse Kreits behorend vorstendom binnen het Heilige Roomse Rijk. Centrum was de stad Minden in Noordrijn-Westfalen.

Geschiedenis[bewerken]

In de Vrede van Osnabrück van 24 oktober 1648 werd in artikel 11, paragraaf 4 de keurvorst van Brandenburg door keizer en rijk beleend met het bisdom Minden. Deze overdracht maakte deel uit van een schadeloosstelling voor het feit dat Voor-Pommeren aan Zweden kwam, hoewel Brandenburg daar recht op had. De keurvorst van Brandenburg noemde zich sindsdien vorst van Minden.

Bestuurlijk werd het vorstendom Minden verenigd met het aangrenzende graafschap Ravensberg, dat al eerder met Brandenburg was verenigd. In 1719 werd de bestuurszetel van Minden-Ravensberg verlegd naar de stad Minden.

Na de Pruisische nederlagen van 1806 en 1807 verloor dat land in de Vrede van Tilsit in 1807 al zijn gebieden ten westen van de Elbe. Minden werd vervolgens onderdeel van het nieuwe koninkrijk Westphalen. In 1810 moest Westphalen het grootste deel van het voormalige vorstendom Minden afstaan aan het keizerrijk Frankrijk. Na de Franse nederlagen van 1813 nam Pruisen het vorstendom weer in bezit en deze restauratie werd vastgelegd op het Congres van Wenen in 1815. Pruisen vormde toen een nieuwe provincie Westfalen, waar Minden deel van ging uitmaken.

Administratieve indeling omstreeks 1750[bewerken]

  • ambt Hausberge
  • stad Lübbecke
  • stad Minden
  • ambt Petershagen
  • ambt Rahden
  • ambt Reineberg
  • ambt Schlüsselburg

ontleend aan de historische atlas: http://www.lwl.org/westfaelische-geschichte/kar-zoom/1750-l.html

Regenten[bewerken]

  • 803- 813: Erkenbert
  • 813- 853: Hartwart
  • 853- 880: Dirk I
  • 880- 886: Wolfer
  • 886- 902: Drogo
  • 902- 905: Adalbert I
  • 905- 914: Bernhard
  • 914- 927: Ludhar
  • 927- 950: Ebergisl
  • 950- 958: Helmwart
  • 958- 969: Landwart
  • 969- 996: Milo
  • 996-1002: Ramwart
  • 1002-1022: Dirk II
  • 1022-1036: Sigbert
  • 1037-1055: Bruno van Walbeck
  • 1055-1080: Egilbert
  • 1080-1089: Reginwart
  • 1080-1096: Volkmar
  • 1089-1097: Ulrich
  • 1097-1112: Godschalk
  • 1097-1119: Witilo
  • 1120-1140: Sigwart
  • 1140-1153: Hendrik I
  • 1153-1170: Werner van Bückeburg
  • 1170-1185: Anno
  • 1185-1206: Dietmar
  • 1206-1209: Hendrik II
  • 1209-1236: Koenraad I van Diepholz
  • 1236-1242: Willem I van Diepholz
  • 1242-1253: Jan van Diepholz
  • 1253-1261: Widekind I van Hoya
  • 1261-1266: Kuno van Diepholz
  • 1266-1275: Otto I
  • 1275-1293: Volkwin van Schwalenberg
  • 1293-1295: Koenraad II van Wardenberg
  • 1295-1304: Ludolf van Rosdorf
  • 1304-1324: Gotfried van Waldeck
  • 1324-1346: Lodewijk van Brunswijk-Lüneburg
  • 1346-1353: Gerhard I van Schaumburg
  • 1353-1361: Dirk van Kugelweit (1361-1367: aartsbisschop van Maagdenburg)
  • 1361-1366: Gerhard II van Schaumburg
  • 1366-1368: Otto II van Wettin
  • 1369-1383: Widekind II van Schalksberg
  • 1384-1397: Otto III van Schalksberg (Berge)
  • 1397-1398: Gerhard III van Hoya
  • 1398-1398: Markwart van Randeck (1398-1406: bisschop van Konstanz)
  • 1398-1402: Willem II van Büschen
  • 1402-1406: Otto IV van Rieteberg
  • 1406-1436: Wilbrand van Hallermund (1397-1408: abt van Abdij van Corvey)
  • 1436-1473: Albrecht van Hoya (1450-1453: bisschop van Osnabrück)
  • 1473-1508: Hendrik III van Schaumburg
  • 1508-1529: Frans I van Brunswijk-Lüneburg
  • 1530-1553: Frans II van Waldeck (1532-1553: bisschop van Münster en Osnabrück)
  • 1553-1554: Julius van Brunswijk-Lüneburg (1568-1589: hertog van Brunswijk)
  • 1554-1566: Georg van Brunswijk-Lüneburg (1558-1566: aartsbisschop van Bremen en bisschop van Verden
  • 1567-1582: Herman van Schaumburg
  • 1582-1585: Hendrik Julius van Brunswijk-Lüneburg (1566-1613: bisschop van Halberstadt; 1589-1613: hertog van Brunswijk)
  • 1587-1599: Anton van Schaumburg
  • 1599-1633: Christiaan van Brunswijk-Lüneburg (1611-1633: hertog van Brunswijk)
  • 1633-1648: Frans Willem van Wartenberg (1625-1661: bisschop van Osnabrück; 1630-1631: bisschop van Verden; 1649-1661: bisschop van Regensburg).