Wet van Henry

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De wet van Henry is een scheikundige wet, vernoemd naar de Engelse wetenschapper William Henry (1775-1836), die van toepassing is op de evenwichtsituatie van een oplosmiddel dat in contact is met een gas. Als er contact is tussen een gas en een vloeibaar oplosmiddel, zullen gasmoleculen oplossen in het oplosmiddel. Als dit lang genoeg doorgaat, zal er een evenwicht worden bereikt, waarbij er evenveel deeltjes in of uit de oplossing gaan. De concentratie van de opgeloste stof is bij zo'n evenwicht recht evenredig met de concentratie van het gas. Dit wordt de wet van Henry genoemd. In symbolen kan de wet er zo uitzien:

Hierin is C de concentratie van de gasmoleculen in de vloeistof, H de zogeheten Henry-constante en pg de partiële druk van het gas. De Henry-constante geeft dus de verhouding tussen de concentratie in de oplossing en de partiële gasdruk. De eenheid van de Henry-constante kan verschillen, afhankelijk van de eenheid die voor C wordt gebruikt. Een mogelijke eenheid is molair opgeloste stof per atmosfeer partiële gasdruk.

Samen met de wet van Raoult wordt de wet van Henry gebruikt bij de beschrijving van niet-ideale oplossingen.

Geldigheid[bewerken]

ml/ml water 0 °C 15 °C 30 °C
N2 0,0235 0,0177 0,0149
CO 0,0354 0,0268 0,0222
CO2 1,713 1,075 0,760
O2 0,0492 0,0365 0,0274

De wet van Henry is een limietwet, die geldig is in de limiet dat de concentratie opgeloste stof naar nul gaat. Over welk concentratiebereik de wet in de praktijk geldig is hangt sterk af van hoe niet-ideaal de combinatie opgeloste stof/oplosmiddel is. Hoe minder ideaal hoe beperkter. Verder is de waarde van de Henry-constante een eigenschap van de combinatie opgeloste stof/oplosmiddel, dit in tegenstelling tot de constante in Raoults wet die voor het oplosmiddel geldt: dit is de evenwichtsdampdruk van het zuivere oplosmiddel alleen.

Toepassingen[bewerken]

Duikers moeten er rekening mee houden dat gassen bij duiken op grote diepte in het bloed kunnen oplossen; omgekeerd kunnen bij het opnieuw opstijgen gasbellen in de bloedbaan ontstaan die de bloedstroom beletten (embolie) (zie Caissonziekte).