Aaibaarheidsfactor

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De aaibaarheidsfactor is een begrip bedacht door Rudy Kousbroek voor de mate waarin dieren aardig gevonden worden door mensen. Hij heeft dit begrip uitgewerkt in een reeks essays, gebundeld tot een boekje met gelijknamige titel,[1] dat verluchtigd werd met tekeningen van zijn — toen nog jonge — dochter Hepzibah Kousbroek. Het boekje (formaat 11 × 14 cm) werd, conform het thema, uitgegeven met een fluwelig stofomslag.

Voor Kousbroek is de aaibaarheidsfactor het belangrijkste criterium voor zijn persoonlijke indeling van het dierenrijk. In zijn visie heeft de kat van alle dieren de hoogste aaibaarheidsfactor. Die van vissen is bijna nul, niet in de laatste plaats door het milieu waarin ze leven, wat het aaien letterlijk ingewikkeld maakt. Helemaal onderaan de lijst – met een negatieve factor – komen oesters, kwallen, piranha's en sidderalen.[2]

Niet in Kousbroeks werk te vinden is de inmiddels in het dagelijks spraakgebruik ontstane uitbreiding van het begrip, waarbij de hoogte van de aaibaarheidsfactor indicatief is voor de mate waarin mensen bereid zouden zijn een dier te beschermen.[bron?] Zo vinden veel mensen dat een aap of konijn als proefdier niet kan, terwijl zij geen actie voeren tegen laboratoriumproeven met fruitvliegen.

Het begrip wordt ook wel gebruikt voor mensen[3] en apparaten. Zo zijn apparaten met een hoge aaibaarheidsfactor, zoals de iPod, veelal populair.

In de voedselindustrie speelt hetzelfde onderscheid een rol: paarden en honden hebben een hogere aaibaarheidsfactor dan varkens en koeien. En dus hebben meer mensen problemen om paarden en honden te eten dan koeien of varkens. De relatie tussen aaibaarheidsfactor en consumptief gedrag is overigens niet omgekeerd evenredig, want andere factoren dan de aaibaarheid spelen ook een rol en werken elkaar soms tegen:

  • leeftijd: hoe jonger het dier, hoe hoger de aaibaarheidsfactor. Een jong kalfje heeft een hogere aaibaarheidsfactor dan een oude, harige hond.
  • gewoontes: koeien en kalveren eten we al duizenden jaren, honden en puppies niet.
  • duurzaamheid: een melkkoe moet jaarlijks een kalf krijgen anders stopt de melkproductie. Het alternatief voor consumptie van het kalf zou vernietiging van voedsel betekenen zonder consumptie.
  • hygiëne: hoe schoner een dier, hoe hoger de aaibaarheidsfactor. Tegelijkertijd: hoe onhygiënischer een dier, hoe minder geneigd sommige mensen zijn het te eten.
  • functie: in veel Afrikaanse landen verjaagt de kat muizen, en wordt het niet gezien als knuffeldier. Dientengevolge heeft de kat een lage aaibaarheidsfactor en kan het prima dienen als avondmaal.
  • bewustzijn: hoe hoger het bewuszijn bij consumenten van deze factoren, hoe bepalender die factoren zijn op het consumptief gedrag en de aaibaarheid.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. rudy kousbroek, de aaibaarheidsfactor. Uitgeverij Thomas Rap. Eerste druk Amsterdam, 1969
    Rudy Kousbroek, De Aaibaarheidsfactor, gevolgd door Die Wacht am IJskast. Uitgeverij De Harmonie. Vijfde, geheel herziene en uitgebreide druk, 1978

    (hoofdlettergebruik overeenkomstig origineel werk).

  2. Gegevens ontleend aan de tweede tekstpagina in de ongepagineerde eerste druk; p. 12 in de herziene en uitgebreide vijfde druk.
  3. Zie bij voorbeeld deze column van Hans Schutte: De aaibaarheidsfactor van Lubbers (opgehaald 11 april 2010).
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren