Aquasie Boachi

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Aquasie Boachi. (1899)

Aquasie Boachi (Kwasi Boakye), prins van Ashanti, (Kumasi 24 april 1827 - Buitenzorg 9 juni 1904), was de oudste zoon van Quakoe Dua II, koning van Ashanti, een rijk van enige miljoenen zielen, grenzend aan de Nederlandse kolonie aan de kust van Guinea (tegenwoordig Ghana).

In 1837 reisde hij met zijn neef naar Nederland en volgde er een studie tot mijningenieur aan de voorloper van de Technische Universiteit Delft. Hij vertrok in 1850 naar Nederlands-Indië, maar zijn carrière werd gehinderd door zijn huidskleur. Hij kreeg daarvoor een schadevergoeding. Hij was de eerste zwarte mijningenieur.

Inhoud

[bewerken] De reis naar Holland

De prinsen Aquasie Boachi and Quamin Poko door J.L. Cornet.

In 1837, tijdens het bewind van de gouverneur van der Eb van de Nederlandse Goudkust, werd namens de Nederlandse regering door generaal-majoor Verveer een overeenkomst met de koning van Ashanti gesloten, waarbij deze beloofde jaarlijks enige duizenden soldaten voor Nederlands Oost-Indië te leveren.[1] De koning ontving direct een deel van de overeengekomen som, en hij bood zijn oudste zoon, Aquasie Boachi, en een neef, Quamina Poco (Kwame Poku),[2] beiden rond de tien jaar oud, aan om in Holland een goede opleiding te volgen. Er is over gespeculeerd of de kinderen onderdeel waren van de overeenkomst, en voor de konings goede trouw aan de gouverneur te gijzel werden gegeven. Een dergelijke overeenkomst was kort tevoren ook door de koning met de gouverneur van de Engelse bezittingen aan de kust van Guinea gemaakt. Er zijn echter geen documenten die daar in dit geval een duidelijk uitsluitsel over geven.

Beide jongens werden in gezelschap van de tolk Welsink, een mulat, naar Nederland overgebracht, en kwamen op de Franse kostschool[3] van S.J.M. van Moock aan de Oude Delft 480[4] te Delft.[5]

[bewerken] Opleiding en contacten met het koninklijk huis

De minister van Koloniën Baud wilde hen voor zendeling laten opleiden om later met hun medewerking de Ashanti tot het christendom te bekeren. Zij waren daartoe echter niet genegen.

Aquasie was intelligenter en leerzamer en van een zachtere inborst dan zijn neef Quamina. Hij omhelsde met warmte de christelijke leer waarin beiden werden opgevoed. In 1843 werd hij (net als Quamina) gedoopt in de Nederduitsche Hervormde Kerk van Delft. Aquasi dacht later met afschuw terug aan zijn prille jeugd in Afrika, waar het brengen van mensenoffers nog veelvuldig voor kwam.

In Nederland werden de jongens uitgenodigd aan het hof van koning Willem II en het hof van hertog Bernard van Saksen-Weimar. Zij werden daar als prinsen behandeld. Met de derde zoon van Saksen-Weimar, Hermann, later Württembergs generaal, onderhield Aquasie tot diens overlijden in 1901 een geregelde briefwisseling. Een levensgroot groepsportret van de jongens en Generaal Verveer werd door de kunstenaar Raden Saleh geschilderd, en naar de kust van Guinea gezonden om aan de koning van Ashanti te worden aangeboden. Het doek is echter in Fort Elmina blijven hangen waar het binnen een tiental jaar grotendeels verging. Een gerucht wil dat het wel naar de koning zou zijn gebracht en dat deze bij de ontvangst hoogst verontwaardigd was, omdat hij meende dat zijn zoon en neef gevild waren en hun vel (met kleren) op het doek vastgehecht was.

Portret van Aquasie Boachi in de Bergakademie in Freiberg

Nadat een plan om Aquasie te Leiden te laten studeren opgegeven was, werd hij na een op 9 juni 1843 afgelegd toelatingsexamen student aan de pas opgerichte Koninklijke Academie te Delft.[6] Hij was onder de studenten geliefd en bleef met sommigen van hen ook later bevriend. Zijn beste vriend was Hendrik Linse, met wie hij steeds bleef corresponderen. Hij deed in 1847 met goed gevolg eindexamen voor burgerlijk ingenieur, en werd vervolgens bestemd voor mijningenieur. De bedoeling van de directeur van de academie, dr. G. Simons, was dat Boachi en vier anderen, E. van der Elst, S. Schreuder, F.C.H. Liebect en O.F.U.J. Huguenin, die allen voor de Nederlands-Indische mijnbouw bestemd waren, onder de leiding van Cornelius de Groot van Embden, die weliswaar nog slechts het diploma van burgerlijk ingenieur bezat maar reeds een jaar onder professor Bleekrode enige mijnkennis had opgedaan, naar Engeland gedetacheerd zouden worden om het vak beter te leren dan in Nederland mogelijk was.

Boachi kreeg echter gedaan, dat hij niet onder de leiding van de Groot, die hij niet kon verdragen, behoefde te staan. Hij werd in afwijking van de andere studenten van juli 1847 tot juli 1848 student aan de mijnacademie te Freiberg in Saksen, waar hij o.a. onderwijs genoot van de destijds beroemde Bernhard von Cotta. Weer teruggekeerd in Delft deed hij in 1849 met goed gevolg examen voor mijningenieur. De Groot en drie van de anderen (van der Elst bleef in Nederland) werden 19 februari 1850 ter beschikking van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië gesteld, de Groot als ingenieur 2e klasse, de anderen als aspirant-ingenieur. Pas op 22 april 1850 volgde een dergelijk besluit voor Boachi, en hierin was de bijzonderheid vervat dat hij buitengewoon aspirant-ingenieur zou worden. Buitengewoon, want al kort na zijn benoeming werd hem medegedeeld dat hij geen leidinggevende functie zou kunnen krijgen.[7]

[bewerken] Nederlands-Indië

Toen Boachi in 9 september 1850 te Batavia aankwam, was hij uitgenodigd door de legercommandant, hertog Bernard van Saksen-Weimar, om in diens paleis zijn intrek te nemen. Cornelius de Groot wachtte Boachi bij aankomst echter op en raadde hem aan om, ten einde geen afgunst bij zijn collega's op te wekken, van die uitnodiging geen gebruik te maken. Het advies zou door de gouverneur-generaal Rochussen gegeven zijn, iets dat onwaarschijnlijk was, daar deze hoge regeringspersoon zich zeker niet in de particuliere zaken van de hertog gemengd zal hebben; het advies moet van De Groot zelf afkomstig zijn geweest. De Groot had succes en ook later heeft hij Boachi steeds tegengewerkt. Misschien omdat hij niet zo bekwaam was als zijn collega's, of wel om hem te vernederen, gebruikte de Groot hem slechts als bureau-ambtenaar, terwijl hij hem op zijn vele en verre dienstreizen meenam. In 1852 op Madoera werd hij door De Groot gedwongen achteruit te rijden, terwijl bijvoorbeeld een pangeran (inlands hoofd) vooruit reed. Toen de assistent-resident dit bemerkte, gelastte hij dat Boachi naast zijn chef vooruit zou rijden. In 1853 waren zij te Banjarmasin en logeerde De Groot bij de resident, Boachi echter bij de pakhuismeester. Bij een feest, dat de resident gaf, werd Boachi aan het souper niet aan de hoofdtafel maar tussen inlanders van lage rang en chinezen geplaatst. Boachi weigerde dit, en trok zich terug. De volgende dag bezocht de resident hem om hem zijn verontschuldiging aan te bieden. Over dergelijke, steeds weer door de Groot geprovoceerde onaangenaamheden ontving deze wel afkeurende brieven van hogerhand, maar zijn houding bleef dezelfde.

Bij besluit van 30 december 1853 werd Boachi tegelijk met zijn collega's benoemd tot ingenieur 3e klasse, maar weer met de toevoeging ‘buitengewoon’. Zijn klachten over De Groot werden tegelijk in zover verhoord, dat hij jaarlijks van april tot oktober zelfstandig werkzaam zou zijn. Dientengevolge heeft hij in die maanden van 1854 een onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van steenkolen bij de Meeuwenbaai in de residentie Bantam, en in die maanden van 1855 een dergelijk onderzoek in het zuiden van de Preanger regentschappen. De overige maanden was hij bureauchef van De Groot. Toen hij zich in het begin van 1856 bij de gouverneur-generaal Duymaer van Twist over zijn titel ‘buitengewoon’ beklaagde, zei deze dat hij in die titel geen verandering kon brengen, maar raadde hij hem aan zich hierover in Europa te beklagen. Aan dit advies gevolg gevende, verzocht en verkreeg Boachi verlof, en reisde hij 28 maart 1856 naar Europa.

[bewerken] Schadeloosstelling

Bij een bezoek aan directeur Simons van de Koninklijke Academie bleek hem dat De Groot de titel ‘buitengewoon’ bedacht had, en dit deed hem, daar hij als mijningenieur toch steeds met De Groot te maken zou hebben, besluiten ontslag uit overheidsdienst te verzoeken. Tevens verzocht hij de minister van Koloniën mr. Pieter Mijer om door huur van landerijen op Java schadeloos gesteld te worden voor de niet vervulling van vroeger aan hem gedane beloften. Deze wees zijn verzoek af, maar Boachi wist van Willem III gedaan te krijgen dat tot een schadeloosstelling besloten werd. Na langdurige onderhandelingen werd in 1857 bepaald dat hij een maandelijkse toelage van ƒ 500[8] zou ontvangen, terwijl hem, hoewel de koffieaanplant een regeringsmonopolie was, bij uitzondering voor dit doel 710 hectare woeste grond in de residentie Madiun in erfpacht werd gegeven. Hij vestigde zich toen te Soeka Radja. Omdat hij een slecht administrateur was, werkte hij met verlies en verzocht hij, nadat zijn onderneming geliquideerd was, om een ander terrein, en toen werd hem, eveneens in erfpacht, het land Soekasarie in de toenmalige assistent-residentie Buitenzorg verpacht. Ook dit leverde geen voordeel op, zodat het in 1898 geliquideerd werd. In 1894 werd op voordracht van de gouverneur-generaal jhr. C.H.A. van der Wijck zijn toelage tot ƒ 600 per maand verhoogd.[9]

[bewerken] Overlijden

Aquasie Boachi met twee van zijn kinderen, Aquasie jr. en Quamina Aquasina. (Java, 1900)

Boachi vestigde zich toen te Bantar Peteh, even bezuiden Buitenzorg, en bleef daar tot zijn overlijden wonen. Hij bracht wegens een slepende ziekte zijn laatste levensmaanden in het hospitaal te Buitenzorg door.

Boachi was in zijn latere levensjaren in Indië zeer geacht en de inlanders hadden voor hem als prins grote verering. Hij bleef veel voelen voor zijn Delftse vrienden. Hij was lid van de Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs (later genoemd Vereeniging van Delftsche Ingenieurs) vanaf 1854, maar bedankte in 1859 voor het lidmaatschap. In 1871 werd hij opnieuw lid en tevens correspondent voor Nederlands-Indië.

Hij liet verscheidene kinderen na, buiten het huwelijk geboren uit inlandse vrouwen.

[bewerken] Publicaties

  • Boachi, Aquasie (1855) Onderzoek naar de kolen, gevonden langs het strand der Meeuwenbaai, residentie Bantam. Natuurkundig Tijdschrift van Nederlands-Indië, IX, p. 49
  • Boachi, Aquasie (1856) Onderzoek naar het aanwezen van steenkolen in het terrein aan de Tjilaloekbaai (Preanger Regentschappen) . Natuurkundig Tijdschrift van Nederlands-Indie, XI, p. 461
  • Boachi, Aquasie (1856) Mededeelingen over de Chinezen op het Eiland Java. Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde, Volume 4, nr 2, pp 303-307

[bewerken] Zie ook

  • Arthur Japin schreef in 1997 een roman, De zwarte met het witte hart, geïnspireerd op de levensloop van de twee prinsen. Ten behoeve van de verhaallijn wijkt het boek op een groot aantal punten af van de werkelijkheid.
  • Nederlandse Goudkust
  • Zwarte Hollanders

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  • Molhuysen, P.C., Blok, P.J. (1911) Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. Leiden: Sijthoffs Uitgeversmaatschappij. Deel 7, pp. 144-147 en Deel 6, pp. 643-647
  • Fernhout, F. (2006) Een zwart en een wit hart: liefde, nijd en plagiaat op de Oude Delft 480, (geannoteerde versie). De Gids, februari

  1. Het betrof hier slaven van de Ashanti. Nederland en Engeland sloten in 1818 een [[traktaat (recht)|]] dat een einde maakte aan de slavenhandel. Volgens het contract met Quakoe Dua II schoot Nederland het geld voor, waardoor de Ashantislaven zich vrij konden kopen. Zij moesten die schuld dan door middel van militaire dienst in Indië terugbetalen. In feite was er dus sprake van verkapte slavenhandel, waar Engeland dan ook tegen protesteerde.
  2. Zie Akan-voornamen, Aquasie is de naam voor iemand die op zondag is geboren, Quamina voor iemand die op zaterdag is geboren. 24 april 1827, de gefingeerde geboortedatum van Aquasie, valt niet op zondag maar op dinsdag. Omdat niemand wist wanneer beide jongens geboren waren is een willekeurige datum gekozen. Quamina werd later overigens Quamin genoemd omdat zijn naam in Nederland meisjesachtig over kwam.
  3. Een Franse school is de voorloper van de HBS. Er werd lesgegeven in de moderne talen, algemene geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde.
  4. Oude nummering: wijk IV nummer 480 is nu Oude Delft 161.
  5. Van Moock had een Frans woordenboek geschreven en hij publiceerde over onderwijsmethoden, vaderlandse geschiedenis, het schrijven van opstellen en onderwijs in de Franse taal. Zijn school had een goede reputatie.
  6. Quamina Poco wilde, na een jaar te Delft aan de Koninklijke Academie gestudeerd te hebben, alwaar hij een grote studieachterstand opliep omdat hij zich meer in het pianospel verdiepte, officier worden, waarvoor hij bij de Jagers te 's Gravenhage in dienst trad. Hij werd in 1848 als sergeant naar St. George d'Elmina gezonden. Hoewel hem, naar zijn neef later schreef, beloofd was dat hij na een driemaandelijks verblijf aldaar tot de officiersfunctie luitenant benoemd zou worden, bleef hij sergeant en leefde hij zelfs in een halve gevangenschap. In Nederland was de mythe rond hem ontstaan dat hij de troonopvolger van Quakoe Dua was, maar hij wist zelf wel dat hij niet de eerste in lijn was. Hij verlangde naar zijn familie, maar hij wist eveneens dat hij zich niet meer aan de cultuur van de Ashanti, waar regelmatig mensenoffers plaatsvonden, zou kunnen aanpassen. Een verzoek om terug te keren naar Nederland werd niet gehonoreerd. In een vlaag van wanhoop pleegde hij 15 februari 1850 zelfmoord.
  7. Vanwege zijn huidskleur. In een kolonie waar de gekleurde bevolking wordt onderdrukt, is geen plaats voor een zwarte die boven blanken staat.
  8. ƒ 500 was ongeveer viermaal modaal in die tijd.
  9. Zie Archief Delft, collectie Aquasi Boachi, prins van Ashanti (c. 1843-1904)
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen