Dumpingsyndroom

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Dumpingsyndroom
Synoniemen
Nederlands Postgastrectomiesyndroom[1]
Coderingen
ICD-10 K91.1
ICD-9 564.2
DiseasesDB 31227
eMedicine med/589
MeSH D004377
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Het dumpingsyndroom is een syndroom dat ontstaat ten gevolge van versnelde maaglediging. Hierbij komt de bolus (voedselmassa) onvoldoende bewerkt in de dunne darm terecht, met verterings- en absorptieproblemen tot gevolg.

Oorzaken[bewerken]

  • Chirurgische ingrepen waarbij de maag geheel of gedeeltelijk verwijderd werd
  • Pyloroplastie, een heelkundige ingreep ter hoogte van de pylorus, de sfincterovergang tussen maag en dunne darm, waardoor het voedsel niet meer tijdelijk tegengehouden wordt door een gesloten sfincter.
  • Maagletsels (zoals maagatrofie, gastritis) die zorgen voor een verminderde werking van de maag.
  • Het syndroom van Ehlers-Danlos kan ook aanleiding geven tot dit syndroom.
  • Als gevolg van een maagverkleining (of volledig verwijderen van de maag) wordt het niet verteerde voedsel te snel in de darm gedumpt. Hierdoor komt een overvloed aan suikers in de bloedsomloop. Het lichaam reageert hierop door een overdosis insuline te produceren waardoor een hypo-val gecreëerd wordt.

Gevolgen[bewerken]

Symptomen[bewerken]

Vroege dumpingsymptomen treden 10 minuten, een half uur tot een uur na de maaltijd op. Ze kunnen variëren van vermoeidheid, veelvuldig gapen en een licht gevoel in het hoofd tot zweten, trillen, misselijkheid, een opgeblazen gevoel, diarree, hevig braken en sterk gevoel van niet-welbevinden. De aanvallen duren, afhankelijk van de hevigheid en de persoon, een half uur tot een uur.

Late dumpingklachten zijn een gevolg van hypoglycemie. Ze treden 1 tot 3 uur na de maaltijd op. Op de voorgrond treden zweten, trillen, slapte, gestoorde concentratie, verwardheid en een hongergevoel.

Maatregelen[bewerken]

Door kleine hoeveelheden, verspreid over de hele dag, te eten kunnen de aanvallen redelijk worden voorkomen. Drinken bij vaste voeding kan het beste beperkt worden tot maximaal een glas. Bij voorkeur 30 minuten voor de maaltijd of 30 minuten erna. Goed kauwen en rustig eten is belangrijk. Melkproducten kunnen soms beter vermeden worden. Zo nodig kan men na het eten even gaan liggen.

Eten en drinken vormt altijd een risico. Een paar slokken thee na het eten van een koekje kan soms al tot een aanval leiden. Na de aanval volgt vaak direct weer een hongergevoel.

Volg een dieet waaruit snelle suikers geweerd worden omdat de snelle suikers te snel opgenomen worden in de bloedsomloop.

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.