Empirisch onderzoek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Empirisch onderzoek beschrijft elke onderzoeksactiviteit die directe of indirecte waarnemingen gebruikt.

Historisch gezien was de empirie een wetenschappelijke doorbraak in de dertiende eeuw, waardoor de Renaissance een tijdperk van louter speculatieve wetenschapsbeoefening doorbrak en de Verlichting aankondigde. Het principe is de inductie, men begint met een waarneming waarbij men vragen heeft. Met behulp van een hypothese en een experiment probeert men tot wetmatigheden te komen.

Bij empirisch onderzoek kijkt men dus naar de opgedane ervaringen of resultaten om vervolgens hieruit een conclusie te trekken. Bij een empirisch onderzoek is het van belang dat er heel precies te werk wordt gegaan en de gemeten resultaten/ervaringen gekoppeld worden aan de onderzoeksvraag. Het empirisch resultaat is dan ook puur gekoppeld aan het eigen onderzoek en zal nooit gebaseerd zijn op een uitgewerkte theoretische onderbouwing.

Als bijvoorbeeld wordt verwacht dat water verdampt bij een bepaalde temperatuur dan is dat dus empirisch vaststellen door het zoveel te verwarmen tot het kookt. Door het meten van de druk en de temperatuur is empirisch vastgesteld wat er gebeurd is en is het bewijs geleverd.

Rond de dertiende eeuw kwamen empirische onderzoeken steeds meer op gang, wat uiteindelijk leidde tot de Renaissance, waarin bijna alles empirisch werd onderzocht. Tegenwoordig worden veel dingen empirisch vastgesteld.

Zie ook[bewerken]