Logisch positivisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het logisch positivisme – na Rudolf Carnap ook logisch empirisme genoemd – is een wijsgerig stelsel dat alleen aanvaardt wat zintuiglijk waargenomen en vastgesteld kan worden en verwerpt de non-empirische uitspraken gemaakt door de metafysica, de theologie en de ethiek. Naast empirische uitspraken accepteert het ook logische uitspraken als betekenisvol. Het is logisch in de zin dat het zich voornamelijk beroept op de formele logica en het is positivistisch en empiristisch omdat ze zich beroept op vele ideeën uit het positivisme en empirisme.

In de jaren na 1920 ontstond in de hoofdstad van Oostenrijk, Wenen, een bloeiende beweging van vooraanstaande wetenschappers en kunstenaars. Invloedrijke denkers binnen deze zogenoemde ‘Wiener Kreis’ waren mensen als Otto Neurath, Moritz Schlick en Rudolf Carnap. In 1929 publiceerden zij het manifest Wissenschaftliche Weltauffassung. Der Wiener Kreis. Hierin formuleerden zij een criterium om te beoordelen of wetenschappelijke uitspraken zinvol zijn. Onder de invloed van David Hume, Bertrand Russell en de jonge Ludwig Wittgenstein was het doel van kennis het beschrijven van verschijnselen. Zinvolle wetenschappelijke uitspraken moet gebaseerd zijn op:

  1. empirisch waarneembare en verifieerbare uitspraken, waarvan de waarheid zich door waarneming laat aantonen(verificatiebeginsel)
  2. logische en wiskundige uitspraken, ofwel de tautologieën van het logische en de wiskunde.

Ethische en esthetische uitspraken werden verworpen als zinloos en werden geïnterpreteerd als het uiten van emoties. Dit staat bekend als het emotivisme. Naast het handzaam samenvatten van wat men heeft waargenomen is ook een doel om (beredeneerd) verwachtingen te formuleren. Een bekende slagzin is ‘savoir pour prévoir pour pouvoir’ (weten om te voorspellen, om te beheersen / kunnen).

Neergang van het logisch positivisme[bewerken]

Deze oorspronkelijke aanpak bleek na vele pogingen echter onuitvoerbaar. De poging om de wetenschap tot een eenheid te maken mislukte. De ideeën van de Wiener Kreis zijn een leerzame mislukking gebleken, waarvan de lessen doorwerkten in de ontwikkeling van de analytische filosofie en van de taalfilosofie. De analytische filosofie vanaf de jaren 60 bestaat dan ook vaak uit een kritiek op dit logisch positivisme. Zo was er eerst de ordinary language philosophy met Ludwig Wittgenstein en John Austin die benadrukte dat het construeren van een ideale taal gebaseerd op de logica, zoals het logisch positivisme beoogde, onuitvoerbaar en ook onnodig was. De alledaagse taal is veel rijker en beter dan dat hij op het eerste gezicht voor filosofen lijkt. Een bekend werk hiervan is het boek Philosophische Untersuchungen (1953) van Wittgenstein.

Willard Van Orman Quine.

Het foundationalisme van het logisch positivisme, de stelling dat alle kennis is en moet gebaseerd zijn op een onbetwijfelbare grond zoals waarneming of logica, is ook van vele kanten bekritiseerd. Zo is er het bekende essay van Willard Van Orman Quine, een leerling van Carnap, Two Dogmas of Empiricism (1951), waarin hij een kritiek uiteenzet op het door het logisch positivisme gehanteerde onderscheid tussen een analytisch en synthetisch oordeel. Quine staat ook gedeeltelijk aan de basis van de Duhem-Quinestelling die ook een probleem vormde voor het logisch empirisme.

Een gelijkaardige kritiek is ook uiteengezet door Wilfrid Sellars in diens essay Empiricism and the Philosophy of Mind (1956). Sellars spreekt over de Myth of the Given die door het logisch positivisme wordt aangehangen: de idee al zou de waarneming kunnen dienst doen als een soort zuiver fundament voor alle kennis. Sellars stelt dat waarneming ofwel iets is waar men niets kan uit afleiden dan wel bestaat uit reeds afgeleide overtuigingen die echter altijd al opgenomen zijn in de space of reasons: het web van overtuigingen dat men al heeft en zo dus nooit dienst kunnen doen als 'zuiver' fundament.

Daarnaast is er ook kritiek vanuit de wetenschapsfilosofie, voornamelijk door Karl Popper en later ook door Thomas Kuhn en Paul Feyerabend. Stuk voor stuk bekritiseren zij de opvatting al zou de wetenschap in staat zijn de waarheid van theorieën aan te tonen, ze dus werkelijk verifiëren. Popper stelt dat men hoogstens kan falsifiëren, terwijl Kuhn en Feyerabend er vooral de nadruk op leggen dat wetenschappelijke theorieën vaak sterk theoretisch zijn geconstrueerd op basis van de heersende sociale gewoonten.

Bibliografie[bewerken]

  • Carnap, R. (1966): An Introduction to the Philosophy of Science, New York;
  • Hempel, C.G. (1973): Filosofie van de natuurwetenschappen, Utrecht/Antwerpen.

Externe link[bewerken]