François Rude

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Francois Rude

François Rude (Dijon, 4 januari 1784 - Parijs, 3 november 1855) was een Franse beeldhouwer. Hij was de stiefvader van Paul Cabet, eveneens een beeldhouwer.

Tot zijn zestiende werkte Rude in het atelier van zijn vader als smid. Hij kreeg tekenlessen van François Devosges, van wie hij leerde dat een sterke, eenvoudige contour van onschatbare waarde is in de beeldende kunst. In 1809 ging hij naar Parijs waar hij leerling werd van Pierre Cartellier en in 1812 de Grand Prix de Rome ontving. Na de tweede restauratie van de Bourbons trok hij naar Brussel waar hij, waarschijnlijk met de tussenkomst van de verbannen Jacques-Louis David, ingehuurd werd door architect Charles Vander Straeten. Die liet Rude negen bas-reliëfs maken in het paleis van Tervuren.

In Brussel huwde Rude met de schilderes Sophie Fremiet, de dochter van een bonapartistische landgenoot aan wie hij veel verplichtingen had. In 1827 keert Rude terug naar Parijs waar het beeld van de Maagd van St. Gervais en het beeld Mercurius sluit zijn Sandalen (nu in het Louvre) veel aandacht kregen. Zijn grote succes komt er echter in 1833, wanneer hij het kruis van het Legioen van Eer ontvangt voor zijn beeld Napolitaanse vissersjongen (nu in het Louvre). Dit bezorgde hem ook een belangrijke opdracht: het fries en een beeldengroep van de Arc de Triomphe in Parijs. Deze groep Départ des volontaires de 1792 (Vertrek van de vrijwilligers van 1792), ook bekend als ''La Marseillaise'', een werk vol energie en vuur, vereeuwigt de naam van Rude.

Andere van zijn werken zijn Napoléon s'éveillant à l'Immortalité (Napoléon op weg naar onsterfelijkheid, Musée d’Orsay), het standbeeld van de wiskundige Gaspard Monge (1848), Jeanne d’Arc in de tuinen van Luxemburg (1852), een calvarieberg in brons voor het altaar van St. Vincent de Paul (1855), alsook Hébé en de adelaar van Jupiter (Musée des Beaux-Arts de Dijon), L'Amour dominateur du monde en Christus aan het kruis die na zijn dood allemaal verschenen in het Parijse Salon in 1857.

Een belangrijke leerling van François Rude was Jean-Baptiste Carpeaux die zijn eigen interpretatie van de Napolitaanse vissersjongen maakte.

Bronnen, noten en/of referenties