Hoofdstelling van de rekenkunde
In de wiskunde, en in het bijzonder in de getaltheorie, zegt de hoofdstelling van de rekenkunde dat elk positief geheel getal groter dan 1 kan worden geschreven als het product van priemgetallen, en dat dit op exact één manier mogelijk is (afgezien van de volgorde van de priemgetallen). Bijvoorbeeld kunnen we het volgende schrijven:
en er bestaan geen andere ontbindingen van 6936 of 1200 in priemfactoren, afgezien van verwisselingen in de volgorde van bovenstaande factoren.
Merk op dat als 1 een priemgetal zou zijn, de ontbinding in priemfactoren niet uniek zou zijn geweest. Bijvoorbeeld is 1200 = 13 · 24 · 3 · 52.
Bij het bewijs van deze stelling wordt onder meer gebruikgemaakt van het Euclidische algoritme.
Inhoud |
[bewerken] Deze hoofdstelling is geen vanzelfsprekendheid
Het is opmerkelijk dat het bewijs van de eenduidigheid van de ontbinding in priemfactoren noodzakelijk gebruikmaakt van de additieve structuur van de natuurlijke getallen.
Dit blijkt onder meer uit het volgende, van David Hilbert afkomstige, voorbeeld.
Stel dat het bewijs de additieve structuur van
niet gebruikt en dus alleen de vermenigvuldiging. De verzameling
heeft dezelfde multiplicatieve structuur als
. Een 'priemgetal' in H is, net als in
, een getal dat niet te schrijven is als een product van 2 getallen uit H, beide groter dan 1. Een eenduidigheidsbewijs binnen de verzameling van de natuurlijke getallen dat alleen gebruikmaakt van de vermenigvuldiging, is daarom ook een geldig eenduidigheidsbewijs in de verzameling H Het blijkt echter dat in H de ontbinding in 'priemfactoren' niet eenduidig is, omdat bijvoorbeeld 100 = 25·4 = 10·10. Merk op dat 4, 10 en 25 binnen H alle drie "priemgetallen" zijn, omdat ze binnen H niet verder kunnen worden ontbonden.
[bewerken] Bewijs
Om deze stelling te bewijzen dienen we twee dingen te bewijzen:
- Een dergelijke ontbinding bestaat steeds (existentie)
- Deze ontbinding is uniek (uniciteit)
Hiervoor hebben we echter een lemma nodig:
[bewerken] Lemma
Zij p een priemgetal. Voor elke
met
geldt:
.
- Bewijs van het lemma
- Zij
- de grootste gemene deler van a en p. Daar p een priemgetal is en d deelt p, geldt dat
.
- Dus als
.
- De stelling van Bachet-Bézout stelt nu dat
zodanig dat
.
- Wanneer we nu beide zijden met b vermenigvuldigen krijgen we
.
- p deelt ab dus p deelt ook yab. p deelt beide termen aan de linkerkant van de vergelijking, dus
.
[bewerken] Existentie
We bewijzen het bestaan van zo'n ontbinding door inductie op n. Als n niet priem is dan is n te schrijven als
- n = mk met 1 < m < n en 1 < k < n
Uit de inductiehypothese volgt dat er een ontbinding bestaat voor m en k, dus ook voor mk = n.
[bewerken] Uniciteit
We bewijzen nu de uniciteit. Zij
- n = p1p2...pk en n = q1q2...ql
twee ontbindingen van n met pi,qi priemgetallen voor elke i. We moeten bewijzen dat
- k=l
- pi = qi voor elke i (eventueel na hernummering).
Dit bewijzen we door inductie op k. We hebben
- p1 | n = q1q2...ql.
Dankzij herhaaldelijk toepassing van het voorgenoemde lemma weten we dan dat
.
Na hernummering mogen we veronderstellen dat
- p1 | q1.
Daar p1 en q1 priemgetallen zijn zijn ze aan elkaar gelijk. Door:
te stellen, krijgen we dan:
De inductiehypothese levert dan dat k-1=l-1 dus k=l en p2 = q2...pn = qn (na hernummering)



.
.
.
zodanig dat
.
.
.
.
