Juliana Maria van Brunswijk-Wolfenbüttel
| Juliana Maria van Brunswijk-Wolfenbüttel | ||
| 1729 - 1796 | ||
| Koningin-gemalin van Denemarken Koningin-gemalin van Noorwegen |
||
| Periode | 1752 - 1766 | |
| Voorganger | Louise van Groot-Brittannië | |
| Opvolger | Caroline Mathilde van Wales | |
| Vader | Ferdinand Albrecht II van Brunswijk-Bevern | |
| Moeder | Antoinette Amalia van Brunswijk-Wolfenbüttel | |
Juliana Maria van Brunswijk-Wolfenbüttel (Wolfenbüttel, 4 september 1729 - Fredensburg, 10 oktober 1796) was een dochter van Ferdinand Albrecht II van Brunswijk-Bevern en van Antoinette Amalia van Brunswijk-Wolfenbüttel.
In 1752 huwde zij met weduwnaar-koning Frederik V van Denemarken, en werd moeder van erfprins Frederik van Denemarken (1753-1805).
Als koningin leidde zij een rustig leven. Zij werd belangrijker als koningin-weduwe in 1766. In 1770 werd de nieuwe koning, haar stiefzoon Christiaan VII van Denemarken, geestesziek en kwam de macht terecht in de handen van diens echtgenote Caroline Mathilde van Wales en haar minnaar Johann Friedrich Struensee. Zij voerden een liberale politiek en voerden een aantal democratische wetten door. Juliana Maria werd het centrum van de oppositie en zij maakte deel uit van de groep die deelnam aan de staatsgreep die de regering van Struensee deed vallen, door zijn affaire met de koningin bekend te maken. In 1772 werd Struensee terechtgesteld en koningin Carolina Mathilda werd verbannen.
De zoon van Juliana Maria, erfprins Frederik van Denemarken (1753-1805), werd nu regent. In werkelijkheid was hij de speelbal van zijn moeder, die de echte heerseres werd tijdens zijn regentschap. Haar bestuur was extreem conservatief. Zij herstelde de voorrechten van de adel en werd beschouwd als de heldin van de aristocratie en de redder van hun privileges. In 1784 werd haar en haar zoon het regentschap ontnomen door Frederik, de zoon van Christiaan VII, de kroonprins, de latere Frederik VI van Denemarken, die de macht greep en het regentschap voor zijn vader overnam.