Kaantjes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kaantjes

Kaantjes (het enkelvoud kaantje wordt niet gebruikt) zijn het residu van het uitbakken van spek. Het is een knapperig gebakken, zout stukje spek, dat veelal wordt gegeten met bijvoorbeeld zuurkool of over een salade wordt gestrooid.

Oorspronkelijk diende het uitbakken niet voor het maken van kaantjes, maar voor het verkrijgen van reuzel om mee te bakken of op de boterham te smeren. Het is echter niet zo dat het spek door uitbakken volledig is om te zetten in vet. Het residu noemt men kaan of kaantjes. Deze kruimels werden vaak, met het aanhangende vet, gegeten, bijvoorbeeld als broodbeleg.

Een uitgebakken speklap, met of zonder zwoerd, wordt ook wel kaan genoemd.

Bereiding[bewerken]

Kaantjes worden bereid door stukken spek of zwoerd uit te bakken. Tijdens dit proces smelt het vet en het aanwezige collageen "krimpt" (> 60°C) waardoor het vet uit de spek wordt geperst. Hierdoor treedt een aanzienlijk deel van het vet (vrijwel alles) uit. Wanneer de temperatuur boven de 80°C komt lost het collageen op in het eventueel aanwezige water en vormt gelatine. Deze gelatine treedt ook grotendeels uit. De uiteindelijk overgebleven kaantjes bestaan dan vooral uit de bindweefsel eiwitten elastine en reticuline.