Koninklijke Asscher Diamant Maatschappij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Diamantslijperij Asscher in Amsterdam.
Het Asschergebouw vanaf de Amsteldijk, tijdelijk van daar zichtbaar na de sloop van een deel van het Gemeentearchief.

De Koninklijke Asscher Diamant Maatschappij (Engels: Royal Asscher Diamond Company) is een diamantslijperij in Amsterdam.

Geschiedenis[bewerken]

Het bedrijf werd in 1854 aan de Nieuwe Achtergracht in Amsterdam opgericht door de diamantslijper Joseph Isaac Asscher (Amsterdam 1816 - 1893) onder de naam ‘firma I.J. Asscher’ (de initialen van zijn oudste zoon Isaac Joseph gebruikend).[1]

Hij deed goede zaken tijdens de Kaapse tijd (1870-1880), de bloeitijd van de diamanthandel na de ontdekking van de diamantvelden in Zuid-Afrika. Asscher behoorde bij de eerste afnemers ('zichthouders') van het De Beers kartel.

Rond 1900 kwam de firma in handen van twee kleinzoons van de oprichter, Abraham (1880-1950) en Joseph Asscher (1871-1937). Joseph was een gerenommeerde diamantslijper. In 1902 ontwikkelde en patenteerde hij de zogenaamde Asscher cut, een opvallende achthoekige slijpvorm die meteen bij de elite in trek was. De belangstelling voor varianten van de Asscher cut culmineerde tijdens de Art Deco (1910-1930) toen strakke geometrische vormen hoogtij vierden.

Joseph werd in 1903 gekozen voor het kloven van de Excelsior, op dat moment de grootste ruwe diamant ter wereld. In 1907 werd hij ook gekozen voor het kloven van de Cullinan, de grootste ruwe diamant aller tijden, die in 1905 in Zuid-Afrika was gewonnen en door de regering van Transvaal aan koning Eduard VII was geschonken. Joseph Asscher schijnt tijdens de onderhandelingen in Londen, tegen koning Eduard VII gezegd te hebben: "Sire, er is mij nog nooit een ongeluk gebeurd met een grote steen, op één keer na, toen me er een in plaats van in tweeën, in drieën ging!", waarop de koning hem zakelijk antwoordde: "Then, allright".[1] Het kloven en slijpen van de diamant verliep volgens plan en de naam Asscher was internationaal voorgoed gevestigd en het voortbestaan van de firma was meer dan verzekerd.

De firma liet in 1906 door architect Gerrit van Arkel een nieuwe diamantslijperij bouwen in De Pijp aan de toenmalige stadsrand van Amsterdam. De diamantslijperij was dermate beroemd dat de straten van de stadsuitbreiding die daar later tot stand kwam namen van edelstenen kregen (Diamantbuurt). Het gebouw is nu een rijksmonument (nr. 527800).

Hoewel er geen diamanten meer geslepen worden, gebruikt Asscher nog steeds enkele verdiepingen van het gebouw. In 1914 tijdens de eerste wereldoorlog heeft familie Asscher 250 Belgische vluchtelingen opgevangen in de nieuwe diamantslijperij.

Na de Cullinan opende Joseph Asscher een filiaal van de firma Asscher in Parijs. Zijn broer Abraham Asscher bleef in Amsterdam om de firma aldaar te leiden samen met een nog andere broer, Jacob Asscher (1891-1977). Abraham was in de oorlog lid van de Joodse Raad en werd uiteindelijk in 1943 zelf op transport gesteld. Na concentratiekamp Bergen-Belsen overleefd te hebben en teruggekeerd te zijn in Nederland, werkte hij met Jacob nog enkele jaren aan de wederopbouw van het familiebedrijf. De firma komt pas weer tot bloei onder twee zoons van Abraham: Joseph (Joop) Asscher (1912-1981) en Lodewijk Asscher (1914-2001). Tegenwoordig wordt het geleid door de zoon van deze laatstgenoemde Lodewijk: Edward Asscher (geboren 1946), de dochter en zoon van Edward, Lita (geboren 1977) en Mike (geboren 1980).[1]

Sinds de toekenning in 1980 van het predicaat Koninklijk heet het bedrijf Koninklijke Asscher Diamant Maatschappij.

Externe link[bewerken]

Noten
  1. a b c Bert Steinmetz, ‘Asscher komt uit een goed nest’, Het Parool (14 april 2004): p. 19.